ORTHOBLOG

 
     
 

November/December 2016-06

Geen Vinger en toch de hele Hand

Heeft u het ook gelezen in de trouw van 13 januari 2017? Op advies van de onderwijsgek ‘Marcel Schmeier’* werd op de Alan Turingschool in Amsterdam met succes het opsteken van de vinger in de klas afgeschaft. Als de leerkracht nu een vraag stelt, gaan ALLE leerlingen ijverig aan het werk op een zogenoemd wisbordje. Ze schrijven hun antwoord op een plastic afwasbare A4-hoes waarin zich een wit papier bevindt zodat het geschrevene ook van een afstand leesbaar is. Nadat iedereen klaar is, steken ze het wisbordje in de lucht en de leerkracht ziet in zeer korte tijd wie de instructie begrepen heeft en wie niet. Zo doen alle kinderen mee en niet alleen de wijsneuzen en de snelle leerlingen. Vingers opsteken als middel om een antwoorden van leerlingen te verkrijgen zou zelfs de sociale ongelijkheid verminderen aldus de Franse wetenschappers Goudeau and Croizet in een recent artikel uit 2016. De Expertisadviseur Schmeier/onderwijsgek is een doorgewinterde leerkracht met een belangwekkende hoeveelheid praktijkkennis, waarvoor hij bovendien wetenschappelijk bewijs weet te vinden. De Alan Turingschool heeft geen vinger genomen en kreeg daardoor de hele hand.

 

*www.onderwijsgek.nl

 

September/Oktober 2016

Dyslexie: een voorbode voor welk succes?

David Boies, wellicht de meest succesvolle advocaat in de VS, weet ondanks zijn zware leesproblemen een rechtenstudie te volgen. Malcolm Gladwell* gebruikt dit voorbeeld om aannemelijk te maken dat Boies en anderen vanwege hun leesproblemen iets leerden dat hun succes voortbracht. Zo ontwikkelde Boies zijn luistervaardigheid tot in de perfectie, wat hem geen windeieren heeft gelegd tijdens pleidooien. Brian Grazer, een filmproducer, ontwikkelde zijn overtuigingstalent en Gary Cohn, voormalig president van Goldman Sachs en momenteel de economisch adviseur van Donald Trump, leerde zich door elke mislukking heen te slaan. Dat leesproblemen geen hindernis hoeven te zijn voor een succesvolle carrière mag blijken uit een lange lijst van beroemdheden, zoals Mozart, John Lennon, Richard Branson (Virgin Airlines) en popster Robbie Williams. Je zou het bijna geloven: Zwakke leesvaardigheid leidt tot succes. Als de definitie van succes ook succes op de criminele ladder kan betekenen dan waren de leesproblemen van Lee Harvey Oswald (de moordenaar van Kennedy), meervoudig moordenaar Charles Manson en sekteleider David Koresh ook een voordeel. Mochten we dat niet vinden, dan is het percentage van 50% on- of laaggeletterde gevangenen in de VS en dat van minimaal 17% in Nederland een duidelijke aanwijzing dat kunnen lezen meer voordelen heeft dan niet kunnen lezen. Gladwell presenteert andere inspirerende voorbeelden van mensen die ondanks een vermeend nadeel toch succesvol zijn. Niettemin vormen anekdotische voorbeelden geen bewijs voor een stelling. Laten we dit de studenten blijven onderwijzen.

 

* Gladwell, M. (2013). David & Goliath. Underdogs, misfits, and the art of battling giants. London: Penguin Books.

Juli/Augustus 2016

Begrijpend vragen

Liesbet van Oosten, pedagoog en directeur van de Da Vinci academie, pleitte er onlangs voor om het vak begrijpend lezen af te schaffen.* Niet alleen, zo betoogt ze, vinden kinderen de lessen in begrijpend lezen maar saai, het vak staat bovendien te ver af van de maatschappij waarin ze opgroeien. In de huidige maatschappij staat informatie centraal. De basisschoolleerling staat reeds jong in contact met een wereldwijde, online bibliotheek. Ze geeft daarbij wel aan dat het vinden van die weg op dat wereldwijde web niet vanzelf gaat. De leerlingen moeten daarbij geholpen worden. Daarom pleit zij ervoor om het vak begrijpend lezen te vervangen door het nieuwe vak informatie verwerken. Dit vak moet dan bestaan uit ‘begrijpend zoeken’, ‘begrijpend kijken’ en ‘begrijpend luisteren’. Hoe komen deze leerlingen dan tot de ontwikkeling van deze vaardigheden? Dat ontstaat volgens Liesbet van Oosten doordat kinderen de vraag gaan stellen: Wat wil ik weten? En met hulp van slim vragen stellen, leren ze snel de juiste informatie te vinden. Het klinkt zo 21st century dat ik er bijna in zou gaan geloven. Hoe kan het dat iemand met een academische opleiding niet begrijpt dat voor het vak informatie verwerken (en verwerven, mag ik hopen) bij uitstek begrip van geschreven tekst vereist is? Die informatie wordt van het wereldwijde web gehaald, maar toch vooral in geschreven vorm, hier en daar verrijkt met plaatjes en soms geïllustreerd met een video. Ironisch genoeg kan ik van haar betoog kennisnemen, omdat ik geleerd heb begrip uit een tekst te halen. Ben ik echt zo hopeloos 20e eeuws dat ik alleen nog maar begrijpend kan vragen?

 

* http://www.trouw.nl/tr/nl/4328/2016/article/print/detail/4428779/Begrijpend-lezen-is-een-achterhaald-vak.dhtml

Mei/Juni 2016-03

Schrijven in het wo

Maarten Huygen constateerde onlangs (NRC, 5-9-2016) dat de schrijfvaardigheid van wo-studenten dermate onder de maat is, dat universiteiten (verplichte) bijspijkercursussen aanbieden. Ook mij werd gevraagd of ik de beroerde schrijfprestaties van studenten herkende. Ja, die herken ik. Als ik echter moet aangeven waardoor dit komt, heb ik wel een probleem. Constateren we iets dat nooit anders geweest is, maar denken we alleen maar dat vroeger alles beter was? Of is er daadwerkelijk een achteruitgang in de schrijfvaardigheid? Ik had deze vraag graag onderzocht door oude doctoraalscripties te vergelijken met de huidige masterscripties. Helaas zijn alle papieren scripties van de opleiding waar ik doceer in de papierversnipperaar verdwenen. Als die achteruitgang daadwerkelijk wordt vastgesteld dan kan ik minimaal twee elkaar niet uitsluitende redenen bedenken. Is het onderwijs in de Nederlandse taal in het voortgezet onderwijs verslechterd? Ook dit zouden we moeten onderzoeken. Of heeft een substantieel deel van de huidige wo-studenten niet het schrijf- (en denk)niveau dat een universitaire studie nou eenmaal vereist. Het aantal studenten dat aan een universiteit studeert is in nog geen veertig jaar gestegen van minder dan 5% tot ruim 12%. Bovendien stroomt een niet onaanzienlijk deel daarvan via het hbo de universiteit in. De kans dat het intelligentieniveau in drie decennia zo sterk is geëvolueerd dat meer dan het dubbele aantal jongeren het universitaire niveau heeft waar we tot nu toe op rekenden, lijkt niet waarschijnlijk. Is dat erg? Zo ja, voor wie dan? Blootgesteld worden aan vormen van kritisch en hygiënisch denken ook al kun je zelf misschien niet zo goed schrijven, lijkt mij in ieder geval niet verkeerd.

Maart/April 2016

Norma bestaat niet

Nog niet eens zo geleden had het geen zin om je scheerapparaat mee te nemen op vakantie naar Engeland of Frankrijk. De netspanning verschilde, er werd een ander frequentie gebruikt of de stekker paste niet. Inmiddels zijn veel apparaten intern aangepast aan de verschillende eigenschappen van het elektriciteitsnet en nemen we adapters mee zodat we computer en tandenborstel ook in Turkmenistan kunnen gebruiken. Een mooi voorbeeld van nuttige standaardisatie. Een minder mooie toepassing is die op de mens. Zij wordt steeds vaker langs de psychometrische maatlat gelegd. Bij de geboorte stelt de arts vast of gewicht en lengte binnen de normen liggen. In de peuterspeelzaal wordt bepaald of de woordenschat zich volgens de verwachtingen (i.e., normen) ontwikkelt en met de komst van het Cito-leerlingvolgsysteem leggen we iedere basisschoolleerling langs de cognitieve meetlat. De neiging om alles in normen = gemiddelden te vangen bepaalt inmiddels een belangrijk deel van ons leven: 2 stukken fruit per dag en 5 keer per week een 1/2 uur bewegen volgens het voedingscentrum en van de overheid moet iedereen tussen 5 en 16/18 jaar naar school en worden alle nieuwe borelingen in het Digitaal Dossier JGZ opgenomen. Deze bepalingen zijn gebaseerd op de veronderstelling dat het gemiddelde bestaat en erger nog dat het gemiddelde ‘goed’ en richtinggevend is. ‘Norma’, de gemiddelde mens, bestaat niet en volgens Todd Rose (2016) is dit geen holle frase, maar een wiskundig feit. Desondanks wordt alles georganiseerd rond die vermeende ‘gemiddelde persoon’. In zijn zeer leesbare boek legt hij uit hoe het allemaal zo is gekomen en vooral wat de consequenties zijn van deze fout. Voor het onderzoek en de praktijk van de orthopedagogiek moeten we ons dan ook de volgende vraag stellen: Als Norma niet bestaat waarom maken we dan nog gebruik van of doen we aan populatiestatistiek in de orthopedagogiek?

 

Rose, T. (2016). De mythe van het gemiddelde. Amsterdam: Bruna Uitgevers.

 

Januari/Februari 2016

Ontdekt: Orthopedagoge Colet van der Ven

Onlangs kocht ik het boek ‘Het kwaad en ik’, geschreven door Colet van der Van. Het boek is een mengeling van autobiografische stukken, interviews, essays en reportages over individuele ontwikkelingen en levensverhalen van jongeren en ouderen die geweld hebben gebruikt en die geweld hebben ondergaan. Dit geweld betreft de volledige range van pestgedrag, via het aanrichten van bloedbaden tot de vernietiging van mensen in concentratiekampen. Ze probeert deze ontwikkeling naar het kwaad te begrijpen door het werk van wetenschappers, filosofen en slachtoffers van extreem geweld te bestuderen. Ze beschrijft verhalen waar je moedeloos van wordt, waaronder de gevangenisbendes van Zuid-Afrika of straatkinderen van Kaapstad maar ook levensgeschiedenissen van individuen die hoop weerspiegelen, zoals dat van Humphrey Ludwig, Bart en Kailash Satyarthi. De vraag naar de oorzaak van extreem geweld, de vraag waarom levens van sommige mensen zo ontsporen dat ze elke menselijkheid verliezen wordt niet beantwoord. Wat het wel laat zien is dat we niet kunnen volstaan met een eenvoudig antwoord. De veronderstelling dat de maatschappij de oorzaak van alle kwaad is, lijkt niet steekhoudend, maar de volledige verantwoordelijkheid bij het individu leggen wordt door dit boek ook weerlegd. Het biedt door haar veelzijdigheid een breed perspectief dat ons wetenschappers duidelijk maakt dat er geen eenvoudige antwoorden zijn op een van de pijnlijkste problemen in onze menselijke samenleving.

December 2015

Mus est homo homini?

Miljoenen muizen worden jaarlijks onderworpen aan onderzoek dat moet uitwijzen of een mogelijk medicijn gaat werken op mensen. Onlangs stelde de Leidse hoogleraar Bart Roep dat een medicijn dat werkt op muizen vrijwel nooit een goed medicijn oplevert voor mensen (NRC van 14-15 november 2015). Waarom is dat? Uit het artikel leid ik twee belangrijke redenen af. Het meeste dieronderzoek voldoet niet aan belangrijke wetenschappelijk randvoorwaarden om deugdelijke conclusies te trekken en is daarmee onbetrouwbaar. Zo worden de dieren zelden random toegewezen aan condities en is de onderzoeker vrijwel altijd op de hoogte welke dieren aan welke condities zijn toegewezen, waardoor observaties gebiased kunnen zijn; gevolg is dat slechts 20% van de dierproeven repliceerbaar is (nog minder dan in de psychologie waar het rond de 50% is). De tweede reden heeft te maken met de validiteit van het onderzoek: een muis is geen mens. Er zijn zoveel verschillen tussen mensen en dieren dat je beter een muntje kunt opgooien om te bepalen of het werkt of niet, aldus Roep. Waar ligt dat dan precies aan? In tegenstelling tot mensen vertonen ingeteelde muizenstammen heel weinig variatie. Ook de fysiologie van een muis is fundamenteel anders dan van een mens en het onderzoek wordt uitgevoerd op jonge, gezonde muizen, terwijl de mensen voor wie een medicijn meestal bedoeld is vaak oud en ziek zijn. Waarom worden er dan nog altijd dierproeven gedaan? Roep wijdt het aan de proefdiermaffia: er schijnen enorme belangen mee gemoeid te zijn. Welke? Dat vertelt het verhaal dan weer niet. Ik moet helaas constateren dat niet alleen het sociaalwetenschappelijk onderzoek van beperkte kwaliteit is. Ook het medisch onderzoek heeft een belangrijke taak als het gaat om wetenschappelijke integriteit. Als dit niet verandert, dan moeten we ons niet verbazen dat de burger geen notie meer neemt van de uitkomsten van welk wetenschappelijk onderzoek dan ook. Wij wetenschappers hebben de taak te voorkomen dat een mens de mens, een muis, eh….wolf wordt.

November 2015

College geven en de 18-minutenregel

Volgend jaar zal ik de cursus ‘Inleiding in de Pedagogiek’ geven aan 1e jaars studenten. Ik mag deze cursus zelf vormgeven, waardoor ik een fantastisch excuus heb om alles te lezen wat los en vast zit. In dat kader viel mijn oog op het boek van Carmine Gallo* over de negen geheimen van goed spreken. Zoals de meeste Amerikaanse ‘zelfhulp’-boeken had de inhoud in de helft van het aantal pagina’s gekund, want de boodschap is relatief dun. Zo is het belangrijk dat je geïnspireerd bent door het onderwerp waarover je praat (Geheim 1), dat je iets nieuws brengt (Geheim 4) en helpt het om je onderwerp met humor te brengen (Geheim 6). Maar dan Geheim 7: Houd je aan de achttienminutenregel. Een TedTalk is zelden langer dan 18 minuten. Wetenschappelijk onderzoek wijst namelijk uit, zo stelt Gallo, dat we na 18 minuten gaan lijden aan cognitieve overvloed. We kunnen het niet goed meer volgen. Als we inderdaad na 18 minuten cognitief vol zijn, dan vraag ik mij af waarom sinds jaar en dag een college aan de universiteit drie kwartier duurt gevolgd door een kwartier pauze. Zou het omgekeerde bedoeld zijn, een kwartier college en drie kwartier pauze? Hoe dan ook, als wij als wetenschappers al niet luisteren naar de uitkomsten van ons onderzoek, dan moeten we niet verbaasd zijn dat de burger de wetenschap niet meer serieus neemt.

 

* Gallo, C. (2015). Spreek als TED. De negen geheimen van de beste sprekers ter wereld. Amsterdam: Business Contact.

Oktober 2015

OmDenken

Berthold Gunster* beschrijft op een zeer vermakelijke wijze hoe de mensheid gereageerd zou hebben als eerst games waren ontwikkeld en dan pas de boekdrukkunst. Waarschijnlijk zouden we in de krant geattendeerd worden op de gevaren van lezen: zeer passief, niet interactief, het stimuleert de zintuigen te weinig en het isoleert kinderen. Games daarentegen dagen kinderen uit bij het zoeken van een oplossing waarbij ze zelf de regisseur zijn. Door met elkaar te interacteren wordt de sociale ontwikkeling bevorderd. De driemensionele wereld die via beeld en geluid toegang heeft tot het brein verrijkt de neurale netwerken in de hersenen, wat op haar beurt de plasticiteit bevordert. Wat Gunster hiermee wil zeggen is dat het helpt om ook in de opvoeding Om te Denken. Als jij als opvoeder ergens last van hebt, dan wil dat nog niet zeggen dat het lastig is voor het kind of voor zijn ontwikkeling. Ik vond zijn boek bijzonder verfrissend en kan het iedere natuurlijke en professionele pedagoog aanbevelen.  Echt iets voor onder de kerstboom.

 

* Gunster, B. (2012). Lastige kinderen? Heb jij even geluk. Utrecht: Bruna.

September 2015

Change your mind

Het belangrijkste deel van mijn werk gebeurt op een computer. Ik gebruik dit medium voor vrijwel alles: wetenschap bedrijven (Word; SPSS; Digitale Bibliotheek, Google Scholar, Acrobat en sporadisch Twitter), colleges voorbereiden (Powerpoint; Google Search, Youtube), administratie (Calender, Evernote, Excel, Internet browsers), correspondentie (e-mail), overleg (Facetime, Skype), boeken kopen en reizen plannen (Google). Ben ik me bewust van wat de computer met me doet, hoe mijn leven heel langzaam is veranderd, hoeveel tijd ik achter dit apparaat doorbreng? Als ik mijn huidige leven vergelijk met dat van 20 jaar geleden, dan besef ik dat er weinig is veranderd in wat ik doe, maar erg veel in hoe ik dat doe. Toen ik in 1995 in de VS woonde, zat ik weliswaar dagelijks achter mijn stand alone Mac, maar ik logde slechts één keer per week in op het mainframe om te mailen. Twintig jaar later sta ik voortdurend in contact met de buitenwereld. Ik heb werkelijk geen idee wat het met mij (ons) doet, maar Susan Greenfield* wel. In haar boek Mind Change beschrijft zij hoe de digitale wereld ons leven/ons brein beïnvloedt. Is dat anders dan voor de digitale revolutie? Ik denk het niet. De omgeving heeft immers altijd als ons leven en ons brein bepaald. De interessante vraag is dan: Zijn de mogelijkheden en gevaren fundamenteel anders dan voor het digitale tijdperk? Die vraag is alleen te beantwoorden als we het eens kunnen worden over het begrip ‘fundamenteel anders’.

 

* Greenfield, S. (2014). Mind change. How digital technologies are leaving their mark on our brains. UK: Penguin.

 

Augustus 2015

Brillen en Buitenspelen

Het dragen van een bril (of contactlenzen) lijkt de standaard te worden in plaats van de afwijking. Nu al ligt het percentage brildragende pubers in Azië rond de 90%.  De belangrijkste oorzaak lijkt het op geringe afstand kijken naar papier en beeldscherm. Als de ogen weinig training krijgen in de afwisseling tussen ver en dichtbij kijken, worden de spieren die de oogbol aanspannen korter, waardoor de oogbol langer wordt en het beeld op het netvlies vooral scherp is op korte afstand. Dat betekent dus een onscherp beeld ver weg. Dit is te voorkomen door geregeld in de verte te kijken. Daarmee blijven de oogspieren langer en behouden ze de mogelijkheid om zowel dichtbij als veraf goed te kunnen blijven zien. Vroeger werd ons gezegd dat we vooral niet bij avondlicht moesten lezen, omdat dit slecht was voor de ogen. Het gebrek aan licht is niet zozeer het probleem, maar het feit dat we te weinig oefening krijgen in het ver weg kijken. Van een groep Chinese kinderen die 40 minuten extra buitenspeeltijd hadden, bleek 30% na drie jaar een bril nodig te hebben, terwijl van de kinderen die dat niet hadden 40% een bril moest dragen. Buiten spelen is niet alleen beter voor de ontwikkeling van het zicht, maar ook voor de motoriek. Het lijkt dus aanbevelenswaardig om het aantal uren buiten spelen te bevorderen. Als peuters toch verplicht worden naar school te gaan, dan stel ik voor dat ze vooral buiten zijn, zodat we twee vliegen in een klap slaan. Ze kunnen immers de rest van hun leven nog altijd boven de Ipad hangen.

Juni/Juli 2015

Fransciscus : Zorg = Mens : Dienst

Het Brabantse zorgcentrum ‘Sint Franciscus’ in Gilze laat de protocollen links liggen, heeft geen keurmerk, is kleinschalig gebleven en heeft een minimale overhead. Alleen dan is het mogelijk om ‘menslievende’ zorg te bieden zo blijkt uit het gesprek dat Emile Roemer (2015) had met directeur Ad Schots. Wat de jeugdzorg betreft heeft de transitie naar de gemeenten in Nederland inmiddels volledig haar beslag gekregen. Dit betekent dat de Nederlandse gemeenten nu eindverantwoordelijk zijn voor alle hulp aan zorgafhankelijke jongeren en ouderen. Emile Roemer stelt terecht de vraag: Hoe lang kan het zorgcentrum ‘Sint Franciscus’ nog blijven functioneren vanuit de gedachte dat zorg een dienst is en geen markt en de bewoners mensen en geen producten. Willen gemeenten, die dicht bij de mensen staan, alstublieft bijdragen aan die dienstbaarheid en commercialisering van de zorg voorkomen?

 

Roemer, E. (2015). Het kan wel. Tussen Binnenhof en buitenwereld. Amsterdam: Van Gennep.

Mei 2015

EDI en stoornissen verdwijnen als sneeuw voor de zon

Marcel Schmeier (www.onderwijsgek.nl) stuitte in zijn zoektocht naar publicaties over ‘instructie basisonderwijs’ op het zeer relevante Engelstalige boek ‘Explicit Direct Instruction’ ofwel EDI van Hollingsworth en Ybarra. Binnen een jaar bewerkte hij dit boek voor het Nederlands-Vlaamse basisonderwijs. Zodra het uitkwam heb ik onmiddellijk via een tweet laten weten dat dit boek een must is voor alle leerkrachten. Ik kan niet hard genoeg roepen dat iedereen in het basisonderwijs dit boek moet aanschaffen en dat iedere pabostudent die afstudeert, geëxamineerd moet worden op haar of zijn kennis en vaardigheid in EDI. Als er in het onderwijs weer een keuze gemaakt wordt voor een didactiek die leerlingen en leerkracht in een wederkerige, respectvolle relatie tot elkaar brengt, waarbij de leerkracht de kennis/vaardigheid die deze wil overdragen tot in elke vezel bezit, zal het aantal kinderen met dyslexie, dyscalculie, ADHD en wat dies meer zij zienderogen dalen. Sterker nog, ik denk dat we dan zullen kunnen concluderen dat de meeste problemen veroorzaakt worden door een inadequate didactiek. EDI geeft de leerkracht kennis, inzicht en houvast omdat de structuur van elke les geëxpliciteerd wordt en er een groot aantal concrete tips en technieken wordt aangeboden. Waarom zouden we niet leren van het succes van een ander? Dit boek geeft elke leerkracht die gelegenheid. Aanschaffen dus!

 

Hollingsworth, J. & Ybarra, S. (2015; bewerkt door M. Schmeier). Expliciete directe Instructie. Tips en technieken voor een goede les. Huizen: Pica.

April 2015

Herderschêe revisits

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) heeft berekend dat het aantal mensen dat hulp nodig heeft om zich in de huidige maatschappij staande te houden sinds 2000 vervijfvoudigd is. En nog verontrustender is dat bijna 10% (1.4 miljoen Nederlanders) onvoldoende sociaal zelfredzaam is. Dit zou volgens het SCP het gevolg zijn van de toenemende complexiteit van de maatschappij, zoals de digitalisering. Deze informatie heb ik van journalist en historicus Gijs Herderscheê* (Volkskrant 4 december 2014). Gijs is de kleinzoon van de schoolarts Dirk Herderschêe* (1877-1969), een arts die zich sterk maakte voor de erkenning van en speciale aandacht voor het schoolkind met een verstandelijke beperking. In zijn boek ‘Achterlijke kinderen’ schrijft Herderschêe:De groote groep der debielen…..kan zelfs in gunstige omstandigheden in eigen levensonderhoud voorzien in de vrije maatschappij”. Waarna hij zich haast uit te weiden over die gunstige omstandigheden: “Onder passend werk bedoelen wij in hoofdzaak weinig varieerend werk, dat geen te hooge eischen stelt aan het aanpassingsvermogen. En met een geschikten patroon bedoelen wij er een met sociaal gevoel, die genoegen neemt met een zeker niet in alle opzichten volwaardige arbeidskracht, die hij in bescherming wil nemen tegen niet altijd even fijngevoelige kameraden; een patroon, die geduld heeft ten opzichte van het wel eens zonderlinge gedrag van zijn werknemer” (1947, p. 14, 2e editie). Het was toen dus niet anders dan nu en ook toen waren er maatschappelijk bewogen artsen en wetenschappers die de oplossing voor zich zagen. Het kan toch niet zo zijn dat we deze discussie opnieuw moeten voeren. Zullen we deze keer niet al te veel lullen, maar meteen aan het poetsen slaan?

 

* Gijs Herderscheê, een duidelijk geval van een sociaal zelfredzaam burger, vertelde me dat de namen van opa en kleinzoon verschillend worden gespeld vanwege de, oh ironie, digitalisering!

Maart 2015

Universitaire pedagogiek, neem uw verantwoordelijkheid!

De wet op de maatschappelijke ondersteuning is haar laatste fase ingegaan. De rol van de orthopedagoog heeft in dit krachtenveld aan invloed ingeboet, omdat de functies die onze afgestudeerde orthopedagogen voorheen verwierven het exclusieve terrein worden van de psychiater en de gz-psycholoog. Is dat erg? Ik vind van niet. In het werk van de orthopedagogiek heeft het ontwikkelingspsycho-pathologische aspect een te sterke nadruk gekregen. De aandacht is te exclusief gericht geweest op de eigenschappen van het individu en niet op de relatie van het kind met zijn sociale en fysieke omgeving en de grotere context van het gezin, de school en de maatschappij. De pedagogische relatie is de laatste decennia sterk naar de achtergrond gedrongen, waardoor ik me vaker heb afgevraagd of we nog wel pedagogiek doceren. Vanuit een systemisch perspectief, is de exclusieve aandacht voor het individu zeer problematisch. Vanuit een pedagogisch perspectief is het dat ook. Een kind bevindt zich altijd in een omgeving. Een probleem van een kind is ook het probleem van de (pleeg)ouders/verzorgers en leerkrachten. Het zou goed zijn als de universitaire pedagogiek verantwoordelijkheid neemt door de relatie weer centraal te stellen in plaats van het individu. Zowel in onderwijs als onderzoek betekent het dat de focus moet verschuiven. Meer aandacht voor de veranderende leefomgeving die voor een groeiende groep mensen te moeilijk is geworden om te begrijpen. Als de (ortho)pedagogiek afstand neemt van het ‘stoornisdenken’ dan staat de pedagogiek weer een bloeiend leven tegemoet. De rol die wij zullen kunnen spelen wordt dan maatschappelijker, politieker, geëngageerder en hopelijk ook rechtvaardiger.

Februari

Pathos = lijden

Een paar jaar geleden kwam ik in aanraking met het bijzonder interessante werk van George Canguilhem: ‘Le normal et le pathologique’. Deze Franse arts en filosoof vraagt zich af wat een pathologie. Het antwoord is natuurlijk niet simpelweg een kwantitatieve verandering van de normale of gebruikelijke situatie? In dit korte bestek kan ik niet uitleggen hoe zijn analyse van deze vraag tot de conclusie leidt dat een pathologie, eigenlijk elke conditie waarin een organisme zich bevindt, altijd in de relatie met de omgeving bekeken moet worden en fundamenteel normatief is. Een extreme, maar logische stap in zijn denken, leidt volgens mij tot de conclusie dat iets alleen een stoornis of pathologie is als het organisme er aan dood gaat. Als het organisme een ‘afwijking’ ontwikkelt en overleeft, dan heeft het een niche gevonden om in te leven. Het leven gaat dan niet ‘fout’, maar het neemt een andere wending. In sommige gevallen, maar zeker niet alle, heeft het organisme dan wel minder mogelijkheden of vrijheidsgraden om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden. Canguilhem beschouwt het lijden als het belangrijkste aspect van de definitie van pathologie. Dat ligt gezien de betekenis van het woord pathologie, de leer van het lijden, ook veel meer voor de hand. Zou lijden niet weer maatgevend moeten worden in plaats van de huidige praktijk waarbij bepaald wordt of een testscore boven de klinische grens ligt?

 

Januari 2015

Signaalgedrag

U kent ze wel, cliënten die schoppen, gillen, wiegen of weglopen. Gedrag dat vrijwel overal aangeduid wordt als probleemgedrag of ongewenst gedrag. Zo niet door Geert Bettinger. In zijn prachtige boekje “Door stil te staan kom je verder” bespreekt hij achtergronden en casussen van en denkvragen over zorgafhankelijke mensen. Hij stelt dat de aanduiding ‘probleemgedrag’ de verantwoordelijkheid van het gedrag voornamelijk bij de cliënt legt. WIJ willen dit gedrag niet en dus moet het ophouden, wat veelal bewerkstelligd wordt door het te bestraffen of te negeren. We vragen ons dan onvoldoende af waar het gedrag door wordt veroorzaakt. Stel dat we het gedrag zouden zien als een signaal waarmee zorgafhankelijke mensen ons iets proberen te vertellen dan geven we onszelf de mogelijkheid om de oorzaak ervan te achterhalen. Zorgafhankelijke cliënten kunnen vaak niet via taal aangeven wat er aan schort. Ze gebruiken hun lichaam om de wereld te ‘vertellen’ dat er iets aan de hand is. Henk, een man met ontwikkelingsleeftijd van minder dan een jaar, wiebelt veelvuldig op zijn stoel, loopt vervolgens naar het raam, waar hij zijn gezicht tegen de ruit drukt en gaat dan weer zitten. Henks gedrag werd gezien als ‘probleemgedrag’. Pas toen het team zich afvroeg welk signaal Henk afgaf kon er een oplossing gevonden worden. Een van de teamleden kwam op het idee om het gedrag van Henk na te doen. Toen ze het koele glas van de ruit voelde, opperde ze dat Henk het mogelijk voortdurend te warm had. Toen men hem minder warm kleedde, bleek Henk inderdaad geen behoefte meer te hebben om steeds weer naar de ruit te lopen en zijn gezicht er tegenaan te drukken. Henk gaf een betekenisvol signaal af.

 

 

December 2014

Leraar in digi of Leraar in vivo

In tegenstelling tot wat velen denken, leren kinderen op de basisschool voor een belangrijk voor de juf of de meester. Dat kan toch niet de bedoeling zijn, kinderen zouden intrinsiek gemotiveerd moeten zijn, hoor ik een collega zeggen. Ik heb me altijd afgevraagd hoe ik me dat moet voorstellen bij jonge kinderen die vaak geen idee hebben waarom ze op school zitten. Dus, heerlijk dat er een juf of een meester is die ze uitnodigt om te leren. Op de middelbare school is het veelal niet anders. Het is meestal de leraar die het verschil maakt. Zonder leraren die de leerlingen steunen, motiveren, overhoren en vermanend toespreken zullen er velen zonder diploma de middelbare school verlaten. Zelfs op de universiteit hebben docenten die het meeste contact hebben met studenten het beste resultaat. Op het ministerie van OCW heet dat rendement, een term die meer doet denken aan een fabriek dan aan een instelling waar jonge mensen zich academisch kunnen vormen. Ook daar hebben ze het niet begrepen. René Knyber (www.handelingsbrutaal.nl) zet de relatie met de leerlingen voorop. Hij bedoelt niet dat de leraar vriendjes moet worden met de leerlingen, het gaat erom dat deze ze ziet als mens en niet als leermachine. Pas als we contact hebben kan er geleerd worden. Het is precies zoals oud-hoogleraar Luc Stevens zegt: Geen prestatie zonder relatie. In vivo leren maakt het ontstaan van de relatie tussen leraar en leerling mogelijk. In digi leren doet dat niet. Als dat wel zo was dan zouden we ons massaal aanmelden bij de Open Universiteit of het LOI.

November 2014

Wetenschap in India

Onlangs heb ik samen met een collega twee weken doorgebracht op het Indian Institute of Technology (IIT Bombay) in Mumbai om gezamenlijk onderzoek te formuleren. Interessant is dat ze ook in India de diagnoses, dyslexia, autisme en ADHD, hebben ontdekt als bron van inkomsten voor wetenschappers. Leerkrachten die ook onderzoekers zijn weten heel goed dat de toename van kinderen die slecht lezen het gevolg is van een slechte didaktiek en niet van een toename in echte stoornissen. Helaas ontlokt wetenschap blijkbaar universele krachten. In dat opzicht had ik het gevoel dat ik gewoon thuis was. Totdat we ons guesthouse verlieten. Dit bevond zich op een volledig ommuurde en zelfvoorzienende campus (van huis tot hospitaal en van sportveld tot cafeetjes) van 2 km2. Net voor onze aankomst had een uit het wild komende tijger zich drie dagen verschanst in een lab. In het meer aan de campus bleken permanent krokodillen te verblijven; zwemmen niet aanbevolen, hoe aanlokkelijk ook bij 35 graden. Het ontbijt dat je in de buitenlucht eet, kan gevaar lopen door een troep apen die je van je eten willen beroven. En ten slotte nog wat alledaagse zaken als vrij loslopende koeien die je plantsoentje omploegen, honden die door de gangen van de afdeling rennen, slangen die sissen in het struikgewas en muggen die 's avonds verbeten bijten. Een verandering van perspectief heeft ook wel wat.

Oktober 2014

Makkelijk te lezen, moeilijk te begrijpen

Gerdineke van Silfhout is op 16 oktober jl. gepromoveerd. 

Gerdineke verdedigde haar proefschrift aan de Universiteit van Utrecht.

De titel van haar proefschrift is ‘Leuk om te lezen of makkelijk om te begrijpen’.

De berichten over haar werk maken me zeer enthousiast.

Ik schrijf deze column vanuit India.

Haar proefschrift kan ik nu niet lezen.

Ik wil u er graag over vertellen.

Zij heeft een belangrijke boodschap te vertellen.

Haar proefschrift gaat over maar, omdat en als.

Maar, omdat en als zijn verbindingswoorden.

Ze hebben een signaalfunctie.

 

Als u zich langzaamaan begint te ergeren aan mijn schrijfstijl dan heb ik mijn doel bereikt. Het voorgaande maakt het u vast heel gemakkelijk om te begrijpen wat deze jonge doctor heeft aangetoond. Ze heeft laten zien dat zogenaamde ‘makkelijk te lezen teksten’ helemaal niet makkelijk te begrijpen zijn. De veronderstelling dat leerlingen met leesproblemen baat hebben bij teksten met korte zinnen, zonder verbindingswoorden, waarbij elke zin op een nieuwe regel begint, blijkt volstrekt onjuist. Alle leerlingen, van vmbo tot vwo, zijn gebaat bij teksten die signaalwoorden bevatten, omdat deze de onderlinge samenhang van de zinnen bevordert. Op de website http://www.toets.nl/nieuws/leuk-om-te-lezen-of-makkelijk-te-begrijpen vindt u informatie over haar onderzoek en daar kunt u ook de Nederlandstalige handelseditie van haar proefschrift bestellen. NB. Ze heeft trouwens nog veel meer behartenswaardigs te vertellen.

September 2014

WijsOnderwijsBeleid

Premier Renzi van Italië wil 30.000 nieuwe leraren in het basis- en middelbaar onderwijs. Hij ziet geld dat naar het onderwijs gaat niet als een uitgave, maar als een investering. Met name in een crisis moet het onderwijs versterkt worden, zo redeneert Renzi. Kom er eens om in Nederland. Ook in Italië is de gemiddelde leeftijd van leerkrachten hoog en zal op korte termijn een grote groep met pensioen gaan. In Nederland wordt dit al in 2016-2017 voelbaar. Waar is ons beleid als het gaat om het werven van nieuwe leerkrachten en docenten? Maar veel belangrijker nog! Hoe zorgen we er voor dat als ze er eenmaal zitten dat ze behouden worden voor het onderwijs? Misschien is dit laatste nog wel het meest zorgwekkend. Een tekort is met geld meestal nog wel aan te vullen, maar wat als leerkrachten onvoldoende toegerust zijn voor het beroep. Een belangrijk deel van de leerkrachten neemt na een paar jaar weer ontslag en gaat iets anders doen. Waarom dat is en hoe we dat kunnen voorkomen is nog niet tot de beleidsmakers doorgedrongen. Uitsluitend aandacht voor en investeren in kwantiteit gaat ‘m niet worden. We moeten serieus nadenken over de kwaliteit van de opleiding. Die kwaliteit is gebaat bij twee zaken. Ten eerste, kennis over dat wat onderwezen moet worden. Ten tweede, kennis over de meest effectieve didaktiek. De veronderstelling dat didaktiek een algemeen principe is dat voor elk onderwerp hetzelfde is, lijkt mij een achterhaalde gedachte. Wat mij betreft: terug naar de taakanalyse. Als die zorgvuldig wordt gemaakt, dan volgt de juiste didaktiek vanzelf.

Juli/Augustus 2014                                                                       

Handyaccu’s en Bowlby

De huidige tijd kan volgens Dirk de Wachter gekenschetst worden als Borderline Tijden. Hij schreef er een interessant boek over*. Het leitmotiv in onze moderne tijd wordt gevormd door de negen DSM-4 criteria van de borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS). Niet alleen mensen kunnen de stoornis hebben, ook de maatschappij kan in een bepaald tijdsgewricht psychologisch of psychiatrisch gekarakteriseerd worden. Het is een uitermate interessant, literair zwaar verantwoord, mooi uitgegeven en salonfähig boek geworden, waarin Criterium 1 van BPS ‘verlatingsangst’ belangrijke pedagogische relevantie heeft.

 

Alle (ortho)pedagogen leren dat een veilige hechtingsband cruciaal is voor een gezonde sociaalemotionele ontwikkeling. Ook ouders zijn daar steeds meer van doordrongen, maar of hun pogingen om een veilige band met hun kinderen op te bouwen slaagt, is fragwürdig. Het dagelijkse contact tussen ouders en hun jonge kinderen is begrijpelijk en draagt bij aan hun gevoel dat thuis (meestal) een veilige haven is. De vraag of dit ook nog het geval is bij 18-jarigen en jongvolwassenen die dagelijks vele malen met hun ouders sms-en, appen, skypen, tweeten of ouderwets bellen. Het lijkt er soms op dat (jonge) mensen er überhaupt niet meer op vertrouwen dat die ander ze ook na een week nog met liefde en zorg zal ontvangen; alsof ze geen persoonsconstantie hebben ontwikkeld.

 

Wat is er gebeurd met de huidige generatie ouders van 45-50 jaar oud? Opgegroeid zonder de terreur van de mobiele telefoon met al haar mogelijkheden, zonder de voortdurende beschikbaarheid van de ander. Ze wisten in voorkomende situaties op zichzelf te vertrouwen en hadden geleerd dat de ander er echt nog is, ook al zag of hoorde je deze niet.

 

Uit onderzoek naar Bowlby’s gehechtheidstheorie blijkt dat de kwaliteit van de hechtingsrelatie nauwelijks verandert. Eens een veilige band, altijd een veilige band. Tenminste, zo was het! Maar misschien moet de stabiliteit van de hechtingsrelatie toch in frage gesteld worden? Misschien heeft de technologie echt een verwoestende invloed op ons gedrag? Een bericht in de Frankfurter Allgemeine geeft aanleiding voor die veronderstelling. In New York heeft de stoornis ‘nomophobia’ (no mobile phone fobie) ertoe geleid dat forenzen in de metro drie Handyaccu’s bij zich hebben om te voorkomen dat hun Handy (Duits voor mobiele telefoon) nooit verstoken is van de nodige energie.

 

Wat zou er met ons gebeuren als iedereen een maand lang rücksichtslos alle digitale communicatie zou stopzetten? Als we iets willen, doen we dat verzoek per post of wachten we tot we die persoon kunnen spreken. Zouden we er dan weer op gaan vertrouwen dat de ander er echt nog steeds voor ons is en gaan we dan weer creatief onze kleine problemen zelf oplossen? De Handy mag dan handig zijn, ze fungeert voor velen vooral als een verslavende rode knop. 

* De Wachter, D. (2012). Borderline times. Het einde van de normaliteit. Tielt, België: Lannoo Campus.

 

Juni 2014                                                                                              

Traficaliteit in de DSM-6

Twee hoogleraren uit Nederland pleiten in Nature voor de erkenning van suïcidaliteit als een mentaal syndroom en dus voor opname ervan in de DSM*. Op jaarbasis maken 1 miljoen wereldburgers daadwerkelijk een eind aan hun leven; zo’n 10-20 miljoen doen een poging. Het aantal succesvolle suïcideplegers overtreft het aantal moorden plus dodelijke oorlogsslachtoffers, aldus de auteurs. Aantallen lijken mij geen goed argument voor de erkenning van een mentaal syndroom. In dat geval zou AMN (Absolutely Mentally Normal) als eerste moeten worden opgenomen. Een ander onzinnig argument is van pecuniaire aard: Zelfmoord is de derde doodsoorzaak in de economisch meest productieve leeftijdsgroep (tussen 15 en 44). Als suïcidaliteit een onbekend fenomeen was in de psychiatrie, dan hadden ze wellicht een punt. Echter 90% van de suïcide wordt gepleegd door mensen die al een gediagnosticeerde mentale afwijking hebben (depressie, alcoholisme). Suïcidaliteit in de DSM-6 zal een co-morbiditeitindex hebben van bijna 100%. Als dit voorstel het haalt, dan ga ik pleiten voor opname van traficaliteit. Nederland kent jaarlijks 20.000 verkeersslachtoffers (tegen 1700 suïcideplegers). De veroorzakers hiervan lijden aan traficaliteit. Hoewel het je nooit parten kan spelen, kun je het wel degelijk onder de leden hebben. Omgevingscomponenten kunnen een belangrijke trigger zijn. Mijn absurde voorstel is niet bedoeld om suïcidaliteit te bagatelliseren. Het is wel bedoeld om te blijven nadenken over het onderscheid tussen syndroom en symptoom. Ik raad iedereen aan, met name de professoren Aleman en Denys, om het boek ‘De DSM-5 voorbij’ van Jim van Os te lezen. Less is echt more

 

* http://www.nature.com/news/mental-health-a-road-map-for-suicide-research-and-prevention-1.15245

Mei 2014                                                                                              

Disclaimer op de glimlach

Op sabbatical zijnde, veroorloof ik mij af en toe een moment of meer op www.ted.com. Ik vermaak me er vrijwel altijd. Er staan mooie, leerzame en controversiële lezingen op de website, maar helaas ook misleidende. Ron Gutmans  ‘Hidden power of smiling’ is daar een voorbeeld van. In 7 minuten probeert hij het publiek er van te overtuigen dat glimlachen ons competenter doet voelen, stress reduceert, ons huwelijk verbetert, kortom ons gelukkiger en gezonder maakt. De glimlach van een kind bracht namelijk evenveel hersenstimulatie teweeg als het eten van 2000 chocoladerepen of 16.000 pond. Waarom chocolade en geld valide indicatoren voor geluk zijn, wordt er niet bij verteld. Foto’s van Amerikaanse baseballspelers uit 1952 voorspelden wie het langste leeft. Degenen met een grote (glim)lach hadden een grotere kans om een hoge leeftijd te bereiken dan spelers zonder glimlach. In het oorspronkelijke artikel las ik dat de hoeveelheid verklaarde variantie 35% bedroeg (Abel & Kruger, 2010). Geen slecht resultaat voor een studie in de sociale wetenschappen. Helaas werd dit correlationele onderzoek als een oorzakelijkheid gepresenteerd. We moeten namelijk allemaal veel (glim)lachen, omdat we daarmee onszelf en de ander een grote dienst bewijzen. Ik krijg altijd hele sombere gedachten bij dergelijke zogenaamde sociaalwetenschappelijke ‘feiten’ . Voor je het weet is er beleid op gemaakt en wordt je verzekeringspremie verhoogd als je onvoldoende lacht. Misschien wordt het tijd dat we bij elk artikel met slechts een correlationele bevinding een disclaimer plaatsen: De auteurs kunnen geen garantie bieden dat de resultaten correct worden geïnterpreteerd.

April 2014                                                                                            

Sapolsky is een held!

Zit apenrotsgedrag in de genen en is daarmee ook het menselijk gedrag van alfamannetjes verklaard? Sinds de wetenschap niet alleen geneuraliseerd, maar ook gegenetiseerd is, wordt deze veronderstelling almaar verleidelijker. Door de opkomst van de evolutionaire psychologie wordt menselijk gedrag nogal eens vergeleken met dat van de sterk hiërarchisch georganiseerde Bavianensoort. De alfamannetjes terroriseren de ondergeschikte apen, die dat op hun beurt doen met aan hun ondergeschikte apen. Vrouwtjes en jonkies staan onderaan de machtsladder. De gevolgen voor de laagst geplaatsten zijn overmatige stress, slechte gezondheid, en een kleine kans om oud te worden. De documentaire “Stress, Portrait of a killer”* laat overtuigend zien dat het leven van laaggeplaatste bavianen allerminst benijdenswaardig is. Is deze vorm van samenleven onvermijdelijk voor deze en de menselijke soort? Een evolutionair standpunt lijkt dit te suggereren. Robert Sapolsky bestuurde zijn leven lang bavianen. Hij laat in de documentaire zien hoe door een toevalligheid het leven van een bavianentroep volkomen veranderde. Door menselijk toedoen werd op een dag de helft van de mannetjes, meest hooggeplaatste, gedood. De zachtaardige laaggeplaatste mannetjes en de vrouwtjes overleefden. Het wegvallen van de meest agressieve leden van de troep zorgde ervoor dat de sociale bavianen in de meerderheid waren. Opeens was het omgangsgedrag veranderd en was er nauwelijks agressie meer. Zodra een agressieve mannetjesbaviaan van een andere troep toetrad werd deze binnen een half jaar gesocialiseerd. Niet alleen was het onderlinge gedrag vredelievender en egalitairder, ook de gezondheid van de bavianentroep was toegenomen. Apenrotsgedrag in de genen? Nee, het lijkt toch echt een kwestie van cultuur!**

 

* http://www.youtube.com/watch?v=eYG0ZuTv5rs; ** The uniqueness of humans: http://www.ted.com/talks/robert_sapolsky_the_uniqueness_of_humans

Maart 2014                                                                                          

Einde van de jongen?

Hanna Rosin schreef een slecht gestructureerd en stilistisch beroerd boek over een zeer belangwekkend onderwerp: ‘Het einde van de man’. Ze laat zien dat de vrouw op vrijwel alle domeinen in het maatschappelijk leven de man aan het voorbij streven is. Zelfs op de machtigste posities beginnen vrouwen zichtbaar te worden: Janet Yellen werd onlangs voorzitter van de Federal Reserve, waarmee ze volgens sommigen de machtigste persoon in de VS is, misschien wel in de wereld. Dit lijkt geen incident. De crisis in de VS heeft mannen veel zwaarder getroffen dan vrouwen. Als ze werkloos worden, hebben vrouwen eerder weer een nieuwe baan dan wanneer mannen werkloos worden. Op scholen en universiteiten doen meisjes het beter. Ook bij de opleiding Pedagogische Wetenschappen zien we dat van het geringe percentage jongens dat aan de opleiding begint slechts 20% het eerste jaar goed doorkomt; de meeste vertrekken helaas, gedwongen of vrijwillig. Bij de meisjes stroomt 80% door. Ik maak me zorgen en vraag me af wat er fout gaat. Helaas lijkt het meer dan een inhaalslag, met een volgens Rosin desastreus gevolg, namelijk ontwrichting van de relatie tussen de seksen. Dat er iets recht gezet moest worden, daarover waren velen het eens, maar dat de machtsbalans straks de andere kant uitgaat lijkt mij ook niet de bedoeling. Hoe krijgen we de jongens weer aan het werk of aan de studie? Gaat het al fout op de basisschool en hebben de aanhangers van de feminisering van het onderwijs een punt? We moesten het maar eens op de politieke agenda zetten.

Februari 2014                                                                                      

Cito-normen en waarden

In september 2013 heeft het Cito de normen van het leerlingvolgsysteem van Begrijpend lezen, Spellen en Rekenen aangepast. Om nu bij de besten te horen moet je meer kunnen dan een jaar geleden. Het Cito vindt dat men daar niet van hoeft te schrikken, zolang men maar begrijpt hoe het zit. Niet van schrikken? Gisteren waren de prestaties van mijn kind nog prima, want een B is natuurlijk gewoon ok, maar vandaag niet meer, want het is een C-niveau geworden en dat is beneden het gemiddelde. Het Cito legt deze verandering uit door een vergelijking te maken met lichaamslengte. Vroeger was 1.70 lang; je behoorde tot de 25% langste mensen. Nu is dat niet meer zo, je hoort tot de 35% langste mensen. De normering van lengte is dus veranderd. En dat gebeurt met toetsen ook, aldus het Cito. Jammer dat men bij het Cito niet snapt dat dit een categoriefout is, waar Gilbert Ryle reeds in 1947 op wees. De ontwikkeling van lichaamslengte is niet te vergelijken met die van cognitieve prestaties; lichaamslengte kent geen ‘waardering’, cognitieve prestaties wel. Natuurlijk wil iedereen dat meer kinderen een hoog niveau halen. Dat men denkt dit te bereiken door er kunstmatig voor te zorgen dat er altijd slechts 25% beste scorende leerlingen mogen zijn (en uiteraard 25% slechts scorenden) laat zien dat ons voormalig Centraal Toetsinstituut de waarde van onderwijs niet begrijpt.  Chris, we moeten nu echt dat stuk gaan schrijven over de waanzin van relatieve normen.

Januari 2014                                                                                        

Het vergt een dorp…

Had u dit jaar een goed voornemen? Nee? Prima, dan heb ik er een voor u! Het tijdschrift dat voor u ligt, werd net als alle voorgaande afleveringen samengesteld door een redactie. Die redactie beoordeelt manuscripten van auteurs die geheel belangeloos artikelen schrijven. Bij de uitgever zitten bureauredacteuren, administratief medewerkers en mensen die het drukwerk regelen. Bij de vereniging O en A, de eigenaar van dit tijdschrift, zitten bestuursleden die voor de administratie van de abonnees en de verspreiding van het tijdschrift zorgen. Door het vertrek van drie redactieleden, te weten: Roel de Groot, Paul Goudena en Jan van der Ploeg, realiseer je je weer wat hun bijdragen is aan het tijdschrift. Gelukkig verwelkomen we drie nieuwe redactieleden, namelijk, Anke de Boer, Wietske van Oorsouw en Herman Wieberdink. Samen met de drie blijvende redactieleden Hedwig van Bakel, Johan Vanderfaeillie en Stijn Vandevelde vormen we het nieuwe redactieteam. En bij u? Wie draagt er in uw geval bij aan de ontwikkeling van kinderen en jongeren met problemen? Behalve de ouders, zijn de (ortho)pedagoog en de leerkracht het meest zichtbaar. Maar wat dacht u van de conciërge of de schoonmaakster of een vriendje van het kind. U kunt er vast een heleboel meer bedenken. Indachtig het boek van Hillary Clinton: “It takes a village”, afgeleid van het Afrikaans gezegde: “Het vergt een dorp om een kind op te voeden”, is het misschien een goed idee om iedereen die dat ene kind onzichtbaar zichtbaar helpt te erkennen. We krijgen immers zelden iets helemaal alleen voor elkaar.

 

Exordium Scriptorus

 

November/December 2013

 

Ave atque Vale, Roel de Groot

Sinds jaar en dag richt de hoofdredacteur vanuit het ‘Exordium scriptorus’ het woord tot de lezer. Een taak die ik in 2009 van Roel overnam. Bij die gelegenheid legde Roel me de betekenis ervan uit. Het exordium is een inleiding op betogende teksten. Hierbij wordt het publiek eerst ingelicht. Daarna zal deze de aandacht moeten trekken, om ten slotte het publiek op de hand te krijgen van het betoog van de spreker. Nu zijn er vier soorten Exordia en voor deze gelegenheid past alleen het exordium solemne. Ze wordt gebruikt bij plechtige omstandigheden, zoals een huldiging. Daarom lezer, deze laatste aflevering van 2013 is een eerbetoon aan Roel de Groot, voor zijn jarenlange en onvermoeibare inzet als hoofdredacteur van uw tijdschrift. Richt uw aandacht op het voor u liggende dubbeldikke nummer dat gevuld is met artikelen die Roel nauw aan het hart liggen. De thema’s hebben tot doel u op de hand te krijgen van de boodschap van de auteurs. Ik hoop dat ze daarin geslaagd zijn. Ik wens u veel genoegen met dit nummer. En ten slotte een laatste wens: Heil en vaarwel, Roel de Groot!

Oktober 2013

Hoogtevrees verklaard of geherdefinieerd

U kent vast de QUEST wel. Een toegankelijk tijdschrift vol met ‘wetenschappelijke’ feitjes. De volstrekt onoverzichtelijke en zeer lelijke opmaak neem ik meestal voor lief, omdat ik gek ben op de grappige vragen, volstrekt nutteloze weetjes en vreemde soms ook ‘bijna’ filsofofische thema’s die ze bespreken. Wat dacht u van het volgende probleem: “Als je een testikel transplanteert, wie is dan de vader van een kind: de donor of de ontvanger?” Het antwoord staat op www.quest.nl/artikel. Op het antwoord valt wel af te dingen. Helaas is een dergelijk tijdschrift niet voor mensen zoals ik, die graag het probleem van meerdere kanten bekijken en een simpel antwoord altijd verdacht vinden. Desondanks is het leuk te weten waarom caravans meestal wit zijn (staat ook op de website). Er is me echter iets opgevallen sinds ik de scheurkalender van Quest heb en dus dagelijks een dosisje willekeurige ‘wetenschap’ ontvang. Zodra de vragen uit de sociale wetenschappen komen, is er eigenlijk nooit een antwoord, maar eerder een soort herformulering van het gestelde probleem. Een voorbeeld is het antwoord op de vraag: “Waarom heb je hoogtevrees ook al weet je zeker dat je geen gevaar loopt?” Het antwoord van psycholoog Ellen Huijsmans is dat als je een berg beklimt of op de Eiffeltoren staat je hersenen niet meer goed functioneren, je kunt dan niet meer realistisch denken; er treedt een soort kortsluiting op. Als dit het verklaringsniveau van de huidige sociale wetenschappen representeert, dan is er nog heel veel werk aan de winkel.

September 2013

Crisis! Zonder meer Ellende?

Sinds er een financiële crisis uitbrak ruim vijf jaar geleden en als gevolg daarvan een economische, staan de kranten voortdurend vol van de kommer en kwel die dit alles tot gevolg heeft. Toch is het de vraag of de crisis uitsluitend schadelijk is. Zeker, voor mensen met lage inkomens is het een hard gelag. Tegelijkertijd worden mensen zeer inventief. Zo werd er in Herwen (bij Lobith) een supermarkt geopend die nu gerund wordt door uitsluitend vrijwilligsters (dat dan weer wel, ik bedoel alleen vrouwen dus). Wat is het gevolg van de crisis voor de (ortho)pedagogiek? Natuurlijk houden we allemaal ons hart vast. De WMO die vanaf 1 januari 2015 volledig haar beslag zal krijgen, zal veel veranderingen tot gevolg hebben. De financiële mogelijkheden voor hulp zullen ingeperkt worden, terwijl het aantal hulpvragen alleen maar toeneemt. Zitten daar ook goede kanten aan? Als we terug gaan naar het recht op hulp zonder officiële (DSM)-diagnose, dan lijkt mij dat pure winst. De maatschappelijke nadelen van officiële diagnoses werden net voor de zomer duidelijk. Een leerling die ooit gediagnosticeerd werd met het label “Autisme”,  werd niet toegelaten tot de beroepsopleiding van zijn keuze. Hij laat zich nog maar eens testen, want misschien was hij wel over zijn autisme heen gegroeid. Als de crisis helpt om diagnoses overbodig te maken, dan heeft elk nadeel toch echt z’n voordeel.

Juli/Augustus 2013

Pinguïns en Rekenen

Enkele maanden geleden ontving ik een mail van een voormalig inspecteur van het onderwijs. Deze inspecteur had onlangs een van onze artikelen gelezen over de Cito-spellingtoets. Het zette zijn waardering voor ons standpunt dat kinderen vooral leren door voordoen en nadoen, kracht bij met een interesssant voorbeeld uit de dierenwereld; ik citeer “Pinquïns maken 'klasjes' van hun jongen onder leiding van een oude vader pinquïn. De jongen wordt geleerd hoe ze moeten duiken en voedsel moeten verzamelen. Pas als ze dat onder de 'knie' hebben, mogen ze het water in”. Dit is een mooie illustratie waaruit ik afleid dat ook de dierenwereld ons een spiegel kan voorhouden. Ik interpreteer het als volgt: Als we kinderen weer leren rekenen, lezen en spellen op z’n pinguïns, dan zullen meer kinderen hun duik in het onderwijs overleven.

 

Juni 2013

Mooi weer spelen

Amerikaanse wetenschappers vroegen gedurende een periode van vijf jaar aan één miljoen amerikanen hoe tevreden ze met het leven waren. Omdat ze wisten uit welke stad de ondervraagden kwamen en op welke dag zij de vraag hadden beantwoord, konden ze het antwoord relateren aan de weersomstandigheden. Wat bleek? Gemiddeld genomen voelen mensen zich niet beter of slechter bij extreme hitte, extreme koude, of het nu regent of de zon schijnt, of er bewolking is of niet, of het hard waait of windstil is, of het nu vochtig is of droog, of de luchtdruk hoog is of laag. Het is allemaal onderzocht. Algemene conclusie: het weer heeft geen relatie met het ervaren levensgeluk van mensen. Dergelijke studies roepen bij mij verbazing op. Hoe triviaal kan je onderzoeksvraag zijn? Waarom is de conclusie van deze correlationele studie: weer beïnvloedt levensgeluk niet? Wij leren studenten in het eerste jaar dat een correlatie geen causatie is? Maar het allersufste van dit type onderzoek vind ik nog wel dat er voorbijgegaan wordt aan individuele ervaringen. Sommigen mensen zijn blij als het warm is, andere juist niet. Of subtieler nog, de ene keer ben je blij met een droge dag, en de andere keer met een natte (boeren bijvoorbeeld). Wat hebben we nu eigenlijk aan die algemene uitspraken over enorme populaties? Met name in ons vakgebied zijn algemene uitspraken over groepen kinderen niet relevant, het gaat immers om dat ene unieke kind. Ik wens u een heel mooie zomer. U mag zelf invullen hoe die er gaat uitzien.

Mei 2013

!? De maatschappij neuraliseert ?!

Reeds geruime tijd verbaas ik mij over de weinig kritische houding van wetenschappers en journalisten als het woord brein ter sprake komt. Populair-wetenschappelijke boeken als ‘Wij zijn ons brein’ of ‘Het puberende brein’ suggereren een allesbepalende rol voor de hersenen; alle heil en alle menselijke ellende moet gezocht worden in 1-1,5 kg grijze en witte stof. Nog niet een keer heeft men mij kunnen overtuigen van het oorzakelijk verband tussen hersenactiviteit en gedrag. Nog nooit heeft de hersenwetenschap nieuwe, bruikbare informatie opgeleverd voor de dagelijkse pedagogische praktijk. Als de neurowetenschap iets claimt, dan is dat altijd oud nieuws. Dat een belangrijk deel van de jongeren in de leeftijd van 12 tot 17 grote moeite heeft met plannen en dat met name jongens te veel risico’s nemen is al eeuwenlang bekend. Nog steeds weet ik niet wat mijn collega bedoelde toen hij zei dat de maatschappij in rap tempo aan het neuraliseren is. Er zijn gelukkig ook wetenschappers die een duidelijk kritisch tegengeluid laten horen. Alva Noë, neurowetenschapper en filosoof, schreef het boek ‘We zijn toch geen brein?’. Willem Koops publiceerde onlangs in de psycholoog zijn visie onder de titel ‘Over de kleren van keizer Neuro’. Ik ben er blij mee, want de maatschappij kan niet zonder een degelijk debat. Tot nu toe hadden de aanhangers van de neuralisatiehypothese (ik weet wel wat ik hiermee bedoel, u ook?) een podium dat louter applaus uitlokte. Hopelijk verandert dat binnenkort. Mocht deze hype echter vervangen worden door de slogan, ‘De maatschappij genetiseert’,  dan hebben we helemaal niets gewonnen. Ik waarschuw slechts.

 

Februari 2013

Orde houden

Onlangs concludeerde mijn collega klinische psychologie, Jan Derksen dat hoorcolleges niet meer van deze tijd zijn. Jan Derksen is een goede spreker, maar ook hij kan niet meer zonder de ondersteuning van plaatjes en filmpjes. Studenten gingen en masse eten, praten en facebooken. Hij zei dat hij er verdrietig van was geworden en daarom een brief naar de Volkskrant had geschreven. Ondanks dat het muisstil was tijdens het eerste college na het verschijnen van zijn brief en er studenten naar hem toe kwamen om hem te bedanken, is Derksen niet van mening veranderd. De wereld is veranderd, zo stelt hij en dat kunnen we maar beter accepteren. In dezelfde week viel mijn oog op een stukje in het NRC van René Kneyber. Hij betoogt dat ouders en leraren geen Cito meer willen en hij noemde daarin mijn naam. Als ik ergens genoemd wordt, ga ik altijd kijken wie dat is en of ik mij kan vinden in de standpunten van de auteur. René Kneyber is wiskundeleraar en oprichter van het trainingsbureau Handelingsbrutaal. Kneyber betoogt dat als er geen orde is in de klas dat aan de leerkracht ligt. Hij heeft een boek geschreven: “Orde houden in het VMBO” en stelt dat iedere leerkracht gezag kan uitoefenen als deze expertise, controle en een relatie met de leerlingen heeft. Is het cruciale verschil tussen een schoolklas met ca. 30 leerlingen en een college met soms wel 500 studenten gelegen in het feit dat we geen relatie met onze studenten kunnen opbouwen? Heeft Jan Derksen misschien toch gelijk? Ik denk dat ik het René Kneyber maar eens vraag.

 

September 2012

 

Toshiro Kanamori

 

Dit weekend lag de PIP, het tweemaandelijkse tijdschrift Pedagogiek in Praktijk, in de brievenbus. Ik vind het een heel aardig tijdschrift dat op vlotte en journalistieke wijze de lezer actuele zaken over pedagogische vraagstukken voorlegt. Door dit nummer werd ik erop gewezen dat de Japanse onderwijzer Toshiro Kanamori een rondreis maakt door Nederland van 3 tot 12 september. Tegen de tijd dat u dit leest is hij alweer in Japan en is het te laat om nog een kaartje te bemachigen voor een van zijn optredens ergens in ons land. Mocht u deze leraar niet kennen, dan is er dankzij het internet/YouTube nog altijd de mogelijkheid om kennis met hem te maken. De prachtige en bekroonde documentaire "Children full of life" gaat over het schoolleven van meester Kanamori en zijn leerlingen uit de groepen 6/7. De invulling van het leraarschap van Toshiro Kanamori lijkt een beetje op dat van de fransman George Lopez, die bekend werd door de documentaire Etre et Avoir. Meester Lopez geeft in zijn enige klas van de school in een afgelegen streek van de Auvergne les aan zo'n 12 kinderen in de leeftijd van 4 tot 12. In beide gevallen krijg je een warm gevoel van de wijze waarop deze meesters met hun leerlingen omgaan. Ze zijn er allebei van overtuigd dat je als leerkracht naast verantwoordelijkheid voor de cognitieve ontwikkeling ook aandacht voor de sociaalemotionele ontwikkeling moet hebben. In beide documentaires wordt vooral het laatste in beeld gebracht. Ik ga er vanuit dat deze leerkrachten dermate allround zijn, dat ze hun leerlingen ook het broodnodige cognitieve kapitaal meegeven.

 

Juli/Augustus 2012    

 

Marianne Reuling en Anna M.T. Bosman

 

Intelligentie of Feminisering?

Aan het begin van de vorige eeuw werd de intelligentietest ontwikkeld. Deze had een zodanige samenstelling dat de spreiding van de antwoorden voldeed aan een normaalverdeling met een gemiddelde van 100. Toen men de test vervolgens voorlegde aan een groot aantal vrouwen bleek dat zij gemiddeld 105 scoorden op deze test. De makers vonden dit onverteerbaar en morrelden net zolang aan de test totdat de gemiddelde scores van mannen en vrouwen op 100 uit kwam (Hacking, 2006). Tot voor kort bleven schoolprestaties van meisjes achter bij die van jongens. De verklaring werd vooral gezocht in een mindere intelligentie van meisjes. Sinds de meisjes hun opleidingsachterstand hebben ingehaald, sterker nog, de jongens qua aantal en niveau voorbij zijn gestreefd, maakt men zich (terecht) zorgen over de achterblijvende prestaties van jongens. De verklaring voor deze achterstand wordt gezocht in de feminisering van het onderwijs. Steeds meer vrouwen voor de klas zorgt ervoor, zo luidt de veronderstelling, dat de didactiek en de pedagogiek vervrouwelijkt (wat dat precies inhoudt wordt lang niet altijd duidelijk). Dit zou slecht zijn voor jongens, die hebben geen rolmodel meer waaraan zij hun mannelijke identiteit kunnen ontwikkelen. Er bekruipt ons toch een vreemd gevoel bij deze redenering die in beide gevallen de verantwoordelijkheid bij de vrouwen neerlegt. Als de meisjes achterblijven is dat vanwege onvoldoende intelligentie, als de jongens achterblijven is dat omdat ze door vrouwelijke leerkrachten onderwezen worden. Misschien zit de verklaring toch gewoon in die eerste intelligentietest; 105 is nu eenmaal méér dan 100.

 

Juni 2012

 

Cito, Spelling en Slagers

Cito heeft op haar site een pagina met antwoorden op veelgestelde vragen. Een daarvan is: Waarom bevatten de toetsen Spelling van Cito zowel dictee- als meerkeuzevragen? Ook wij, een verbaasde intern begeleider, een bezorgde orthopedagoog en een verontwaardigde wetenschapper hebben ons die vraag gesteld. En uit ons onderzoeken, eerder verschenen in dit tijdschrift, bleek dat meerkeuzeopgaven iets heel anders meten dan uit het hoofd opschrijven van een gedicteerd woord. Het Cito bevestigt onze uitkomst door te stellen dat beide toetsvormen verschillend zijn. Waarom dan toch deze keuze?  Een bijkomende reden, aldus het Cito, is de aansluiting op de Eindtoets Basisonderwijs en de Entreetoetsen. Daar wordt dan aan toegevoegd dat een deel van de scholen de wens geuit zou hebben voor die aansluiting. Ik vraag me dan toch af: Hoeveel scholen dat zijn geweest en op basis van welk onderzoek is dat besluit genomen. De discussie over deze meerkeuzetoetsvorm is nog lang niet uitgewoed, getuige de stap die het Cito begin 2012 heeft genomen. Uit een marktonderzoek zou blijken dat de helft van de scholen het fijn vindt dat er meerkeuzeopgaven in de spellingtoetsen zitten. Ik wil dat onderzoek graag zien, niet alleen de uitkomsten, maar ook de gebruikte vragenlijst en de redenen waarom de helft van de onderzochte scholen blij is met het toetsen van de spelling door middel van meerkeuzeopgaven. Ik vind een slager die zijn eigen vlees keurt toch enigszins verdacht. Zodra ik meer weet, hoort u weer van mij.


April 2012

Steve Jobs school

Op http://www.youtube.com/watch?v=fD68l2DsbWQ staat een filmpje waar Maurice de Hond reclame maakt voor zijn nieuw op te richten Steve Jobs-school. Hij stelt dat de IPad de start is van een nieuwe ontwikkeling. Jonge kinderen kunnnen zelfstandig met het apparaat aan de slag, omdat er al heel wat educatieve apps bestaan. Hij wil in 2013 Steve Jobsscholen beginnen voor leerlingen uit de jongste groepen, zie http://www.o4nt/nl. De IEPAT-school moet een nieuwe revolutie gaan veroorzaken in het onderwijs. Wanneer hebben we dat eerder gehoord? Niet gehinderd door enige kennis op het gebied van didactiek begint Maurice de Hond een wervende actie met uitsluitend slogans. Hebben we dan niets geleerd van het rapport van Dijsselbloem? Laten we het de ICT-ontwikkelaars zelf vragen. Een vader die in Sillicon Valley bij Google werkt stelt: “I fundamentally reject the notion you need technology aids in grammar school (…) The idea that an app on an iPad can better teach my kids to read or do arithmetic, that’s ridiculous.” Google werknemers sturen hun kroost naar de tradiotionele Waldorfschool. Leren lezen, spellen en rekenen vraagt een goede leerkracht voor de klas die oefent met de kinderen en die hen niet aan het lot van een app overlaat. Ook Maurice de Hond zou ook gebaat zijn bij een goede docent die hem leert spellen: Hij heeft nog niet besloten of zijn school de Steve Jobsschool, de Steve Jobs school of de Steve Jobs-school gaat heten. Waarschijnlijk moet die App nog gemaakt worden.

 

Maart 2012

Verboden te zoenen!

De onderstaande gedragsvoorschriften voor basisschoolleerkrachten kreeg ik toegestuurd van een leerkracht basisonderwijs:

  • In principe worden geen kinderen getroost bij verdriet of pijn d.m.v. zoenen. De wensen en gevoelens van kinderen als ouders hieromtrent gerespecteerd. Kin-deren hebben het recht aan te geven wat zij prettig of niet prettig vinden.

  • Vanaf groep 4 worden geen kinderen meer op schoot genomen. In de onder-bouwgroepen handelen de leerkrachten naar eigen inzicht. Ook hier dienen de wensen en gevoelens van de kinderen te worden gerespecteerd. Spontane reac-ties, ook in de hogere groepen, zijn ondergeschikt aan die wensen.

  • Felicitaties moeten een spontaan gebeuren blijven. De leerkrachten houden hierbij rekening met het hierboven vermelde. In alle groepen volgt de groepsleerkracht in principe de eigen gewoonten in dezen rekening houdend met wat de kinderen hier als prettig ervaren.

Achter deze voorschriften schuilen twee veronderstellingen 1) leerkrachten zijn massaal hun gewone gezonde verstand of hun gewone sociale gevoel kwijtgeraakt, 2) een gedragscode voor leerkrachten die niet weten hoe het ‘hoort’ zal hun daarbij helpen. De eerste is een regelrechte belediging voor leerkrachten in het basisonderwijs. De twee-de is een onuitroeibare misvatting. Ik denk dat dit type gedragscode ons geweten moet sussen: als er een aantijging komt van ongewenst sociaal gedrag dan heeft het schoolbestuur zich tenminste juridisch ingedekt.

December 2011


Waar is het handelingsplan?
Trijntje doet voor de tweede keer eindexamen VMBO. Omdat de school geen enkel risico wil lopen dat de inspectie hun op de vingers tikt, is er een handelingsplan opgesteld. In dit plan staat behalve wat er van Trijntje wordt verwacht ook wat de school ten aanzien van haar zal bieden. Twee maanden na aanvang van het nieuwe schooljaar worden Trijntje en haar moeder op school verwacht voor een voortgangsgesprek. Er wordt nagegaan in hoeverre Trijntje zich houdt aan de afspraken die in het handelingsplan staan, zoals op tijd komen, boeken bij zich hebben en haar gymles inhalen. Als de moeder op haar beurt vraagt wanneer de school het afgesproken wekelijks gesprek met Trijntje gaat voeren, antwoordt de school dat ze dat niet kunnen waarmaken en dat ze niet denken dat Trijntje daar op zit te wachten. Als haar moeder vervolgens aan Trijntje vraagt of ze dat gesprek wil, zegt Trijntje tot verbazing van de school, dat ze daar toch echt wel prijs op stelt. Dit is het zoveelste voorbeeld waaruit blijkt dat een school krampachtig probeert zich aan de eisen van de inspectie te houden: Als het handelingsplan maar overlegd kan worden.

November 2011


Slimme meisjes, Domme jongens?!

Dat was de titel van het Groningse Kenniscafé dat eindseptember werd gehouden. Drie experts op het terrein van respectievelijk onderwijs, gender en bètatalent spraken over de betere prestaties van meisjes binnen het onderswijs. Niet alleen zitten er meer meisje op het VWO en op de universiteit, ze halen ook betere cijfers. De vraag die ondanks alle verzamelde expertise onbeantwoord bleef was: Waarom de prestaties van jongens achterblijven. Hoezo achterblijven? In de wetenschap zien we daar niets van terug. Immers, het percentage vrouwelijke promovendi is 42%, het aantal vrouwelijke UD’s is 28%. UHD’s 16% en het aantal vrouwelijke hoogleraren bedraagt slechts een schamele 10%*. Bovendien hebben de dames veelal minder belangrijke, lees invloedrijke, posities en hebben ze lager salarissen in vergelijkbare functies. Wie blijft hier nu achter? De jongens in ieder geval niet. Hoe kan het dat schools/academisch presteren nauwelijks voorspellende waarde heeft voor maatschappelijk succes? Volgens mij is dat de vraag die gesteld moet worden en hopelijk ook een vraag die ooit beantwoord zal worden. Voorlopig hebben de jongens de best of both worlds. Ze vieren het adagium tijdens hun studie dat een 6 een 10 is, en leren wat ze net zo hard of misschien nog wel meer nodig hebben om straks maatschappelijk succesvol te zijn op vrolijke wijze buiten de collegebanken. Wie durft met droge ogen te beweren dat het braafste meisje van de klas slim is!

* http://www.leidenuniv.nl/nieuwsarchief2/1175.html

 

Oktober 2011


The day after, rest slechts het zwijgen
Vorige maand brak door de affaire Stapel de hel los in onderzoeksland. Velen hebben er hun zegje over gedaan en ook ik heb mij vorige maand niet onbetuigd gelaten. De bezinning komt echter meestal later. Dat het niet alleen een persoonlijk drama, maar ook een gezinsdrama is, bedacht ik pas achteraf. Het besef dat ik gemakkelijker de spot drijf met deze misstap, dan de menselijke kant van de situatie te zien, vond ik onthullend. Daarom doe ik er nu het zwijgen toe.  

September 2011


Is Diederik Stapel?
De Moderne Man Prijs wordt uitgereikt aan mannen die werk en zorgtaken op sublieme wijze weten te combineren. De volgende passage werd opgetekend uit de mond van een van de genomineerde, prof. dr. Diederik Stapel*: ‘Ik werk ook vaak 's avonds en 's nachts door en dat moet je maar willen en kunnen. Ik heb geleerd om op alle mogelijke momenten te werken. Nu denk ik eerder: oké, ik heb twintig minuten, laat ik nog even een paragraaf in elkaar draaien.' Als argeloze lezer bedenk je niet dat de formulering laat ik nog even een paragraaf in elkaar draaien letterlijk genomen moet worden.** Wat bezielt een wetenschapper om ‘feiten’ te verzinnen? Ik verwacht de komende tijd een keur aan verklaringen of liever beschrijvingen die zullen variëren van megalomanie tot een fundamenteel gebrek aan zelfwaardering, en van een Con Artist, iemand die het vertrouwen van de ander gebruikt om hem of haar al dan niet financieel op te lichten, tot pathologische leugenaar. Mocht blijken dat geen van de bestaande diagnosen voldoet dan is het nog altijd mogelijk om een verzoek in te dienen bij de American Psychiatric Association voor opname van een nieuwe diagnose in de DSM-V. Wat dacht u van PFSD ofwel Pervasive Fraudulent Scientist Disorder? Dat er (nog) geen behandeling bestaat voor deze stoornis maakt haar des te ontvankelijker, want hiermee bevindt zij zich in het goede gezelschap van de ruim 360 stoornissen die er reeds in zijn opgenomen.

* zie http://www.modernemanprijs.nl/demannen/?pg_aid=2519
** Formuleringen verraden vaak meer over de persoon dan we geneigd zijn te denken.


VOLGSPOT September 2011

Leerling gezakt, school geslaagd!
Trijntje deed dit jaar VMBO-t examen en is nipt gezakt. Trijntje zelf vond het helemaal niet zo erg en Trijntjes moeder was zelfs blij dat haar dochter niet geslaagd was. Op deze manier had deze 16-jarige puber, die nog helemaal niet wist wat ze wilde, een jaar langer om daarover duidelijkheid te krijgen. Bovendien kreeg Trijntje zo tenminste nog een jaar de kans om alsnog te leren hoe te leren. Wel de cognitieve capaciteiten hebben om minimaal een Havo-diploma te halen, maar geen idee hoe je kennis en vaardigheden eigen maakt. Bovendien vonden Trijntje en haar moeder het fijn dat ze in een haar vertrouwde context (de school) op haar eigen manier tijd krijgt volwassen te worden. Want deze taak drong zich pas goed op in haar eindexamenjaar. De school daarentegen was helemaal niet blij. Een leerling die zakt komt in de statistieken terecht en dat is slecht voor het aanzien van de school. Omdat men op grond van haar prestaties (geen klas gedoubleerd) verwachtte dat ze zou slagen, was ze toegelaten tot het centraal examen. Trijntjes moeder werd op school geroepen en haar werd te verstaan gegeven dat als haar dochter komend jaar in februari voor het schoolexamen onder een tevoren vastgesteld gemiddelde presteerde ze volgend jaar niet mee mag doen aan het centraal examen. In dat geval zal ze de school zonder diploma verlaten. Ik vraag me serieus af waar we mee bezig zijn. Wat is nou belangrijker? Kinderen zo goed mogelijk voor te bereiden op een vervolgopleiding en het leven of als school zo hoog mogelijk eindigen in de Trouwschoolprestatielijst? De school van Trijntje kiest tot verbijstering van haar moeder voor het laatste. Trijntjes moeder en ik zijn beiden van mening dat de school cognitieve kennis en vaardigheden dient bij te brengen en dat de leerlingen deze moeten verwerven. In elke vorm van onderwijs is dit een heldere taakomschrijving. In het middelbaar onderwijs is er echter iets specifieks aan de hand. Daar staan leerlingen ook nog voor een heel belangrijke andere taak, namelijk het ontwikkelen van hun identiteit. Wie ben ik, wat wil ik, op welke manier kan ik mijn leven zinvol vormgeven en hoe kan ik een waardevolle bijdrage leveren aan deze maatschappij? Bij de een gaat dat relatief moeiteloos; voor de ander is dat een emotionele rollercoaster. Geef elke leerling de kans om dit proces op eigen wijze te doorlopen, door ze een menselijke en tegelijkertijd gestructureerde schoolcontext aan te bieden. Wat is er mis met een klas doubleren of zakken? Sinds wanneer moeten alle leerlingen de middelbare school op eenzelfde manier doorlopen? En waarom zou dat goed zijn? Mensen zijn geen robots, toch? Als we flexibel functionerende volwassenen willen in de toekomst, dan is het doorlopen van een eigen proces een minimale voorwaarde. En als een jongere daarvoor een of misschien wel twee keer moet doubleren: het zij zo. Alleen als de leerling slaagt in het leven, dan pas is de school geslaagd!

 

Juli/Augustus 2011


Treffend TRAffic
De onlangs aan de Rijksuniversiteit Groningen gepromoveerde Marieke Visser toonde aan dat de zogenaamde agressiereductietraining TRAffic 8-12 niet het door de ontwikkelaars verwachte resultaat oplevert. Leerlingen van een cluster 4 school bleken geen afname in agressief gedrag te laten zien nadat zij een individuele of groepstraining hadden gevolgd. Het gaat me in dit geval niet om de uitkomst, maar om het feit dat zij ook geen langetermijneffecten verwachtte van een dergelijke training. Dat vond ik een verfrissend uitgangspunt. In haar proefschrift lees ik waarom ze dat denkt. Op basis van haar theoretisch kader stelt ze dat het agressieve gedrag het beste gekarakteriseerd kan worden als een relatief stabiele attractortoestand. Stabiel, agressief gedrag is lastig te verstoren en om te buigen naar ander, in dit geval, niet-agressief stabiel gedrag. Dit kan alleen als er niet alleen rekening gehouden wordt met interne causale, maar ook met externe causale mechanismen die bijdragen aan het agressieve gedrag. Een voorzichtige aanwijzing dat ze daarin gelijk heeft, is dat er alleen een afname te zien was van het agressieve gedrag van leerlingen die na de training naar het reguliere onderwijs terug waren gegaan. Mooi deze bevinding! Wat me dan wel verbaast is de volgende uitspraak (site RUG): ‘Niet dat er nu meer kinderen naar het reguliere onderwijs zouden moeten,…’. Waarom zou ze deze aanwijzing die aangeeft wat wèl werkt ontkennen?

Juni 2011


Wie schrijft die blijft!
Een interview dat ik onlangs had met Ciska de Graaff van het blad Schooljournaal over het verplichte ‘Handelingsplan’ heeft veel adhesiebetuigingen opgeleverd. Ik vind het een bureaucratische tijger die de werkdruk verhoogt, het probleem van het kind niet oplost en ten koste gaat van de onderwijstijd. Van de vele reacties is de volgende wel de meest zure. Een leerkracht werkzaam op een VMBO vertelde me dat hun school zojuist door de inspectie was bezocht. Die had een vernietigend oordeel geveld, omdat de handelingsplannen voor hun zorgleerlingen ontbraken. Als deze niet binnen afzienbare tijd op orde waren, dan kreeg de school de kwalificatie ZWAK. Wat te doen? Alle leraren optrommelen en met z’n allen achter de pc om zo snel mogelijk voor alle zorgleerlingen (en dat zijn er wat op een VMBO) handelingsplannen te schrijven. De leerkrachten laten alles vallen om deze administratieve plicht voor de inspectie te vervullen. Denkt de inspectie nou werkelijk dat als dit op papier staat het probleem is opgelost? Er is inderdaad één probleem opgelost, namelijk dat van de inspectie. Zij heeft bereikt dat zij niet meer op haar vingers getikt kan worden, zij heeft immers haar controletaak uitgevoerd. Hier word ik heel verdrietig van: Dit kan toch niet de bedoeling zijn!

Mei 2011

Fresco en Feiten
Onlangs betoogde Louise Fresco dat het debat over onder andere kernenergie feitenloos is geworden. Omdat we de feiten niet kennen, wordt het politieke debat irrationeel, gaan feiten op meningen lijken, en wordt de emotie onze ware bron van kennis. Hoewel ze een interessant probleem aansnijdt (zie het integrale stuk van 28 maart 2011 in de Volkskrant), is de analyse van haar betoog onvolledig. Zo moet eerst de vraag beantwoord worden of “de kans op een ramp met een kerncentrale” een feit is. Stel dat voor- en tegenstanders het erover eens zijn (wat overigens niet het geval is), dat die kans X in de zoveel jaar is, dan pas komt het echte issue aan de orde. In hoeverre achten we de grootte van die kans, ‘het feit’ dus, acceptabel? Die kans moet immers geëvalueerd worden. En precies dat kan niet rationeel verantwoord worden. Wat voor de een volstrekt acceptabel is (bijvoorbeeld een kans van 1%) is dat voor een ander helemaal niet. In de (ortho)pedagogiek is dit probleem nog veel groter. Naast dat we het over de meeste zogenaamde ‘feiten’ niet eens zijn (zijn het dan nog feiten?), wacht ons nog altijd de evaluatie ervan. Moet er ingegrepen worden in dat gezin als uit onderzoek blijkt dat de kans dat een kind in een dergelijke situatie psychische schade oploopt 1% is? Wat is uw mening daarover? Want we zijn het zogenaamde feit voorbij.

April 2011

Twee vrouwen

Heeft u de inhoudsopgave al gezien? Dan is u vast iets opgevallen. Een van onze auteurs heet Nicolina Montesano Montessori. Echt waar, zij is de achterkleindochter van Maria Montessori. In onze e-mailwisseling vertelde Nicolina mij (ik mag haar tutoyeren ;-)), dat haar afkomst vooral verklaarde waarom zij een bestuursfunctie heeft in de Stichting Vredeswetenschappen. Het doel van deze stichting is het in het leven roepen van leerstoelen voor hoogleraren die vanuit hun eigen vakgebied onderzoek doen naar voorwaarden voor vrede. Het montessori-onderwijs draagt namelijk onderwijs voor vrede hoog in het vaandel. Wist u dat? Ik niet.
Wat ik gelukkig wel wist, is dat een van onze andere auteurs, Anke Slotboom, als geen ander in staat is om statistiek uit te leggen. Iedereen die ooit gedacht heeft dat statistiek niet aan hem of haar besteed was, kan er nu achter komen dat dit dan toch vooral aan het genoten (of misschien niet zo genoten) onderwijs heeft gelegen. U kunt dat vanaf nu zelf vaststellen. Om de twee maanden zal Anke een statistisch onderwerp bij de kop pakken en dit inzichtelijk en vooral heel praktisch uitleggen. Deze keer gaat het over meten. Dit alles overziend had de titel van deze column misschien toch beter ‘Twee bijzondere vrouwen’ kunnen heten.

Maart 2011

IEKU
I
n het vorige nummer besteedde Roel de Groot aandacht aan het politieke besluit om geen gehandicaptenzorg meer te bieden bij een IQ van meer dan 70. Het was een thema dat precies op tijd in ons tijdschrift verscheen. De gehandicaptenzorg maakt zich ernstig zorgen. En ik begrijp dat maar al te goed. Het IQ is immers geen erg goede graadmeter voor de mate waarin een zwakbegaafde jongere in staat is om zich maatschappelijk te handhaven. Ik op mijn beurt, maak me zorgen over pedagogen die weliswaar twijfels hebben over de geschiktheid van de IQ-test en tegelijkertijd menen dat de IQ-test toch echt wel nodig is om een diagnose te kunnen stellen. Als de betrouwbaarheid zo beperkt is waarom weigeren we dan niet met z’n allen om nog één IQ-test af te nemen. Stel dat er in de vliegtuigbranche een test wordt gebruikt die met een gemiddelde van 100 en een standaardafwijking van 15 moet meten hoeveel lading er in het vliegtuig zit, zou u dan nog in een vliegtuig stappen? Ik vraag me vaak af waarom ons IEKU heel goed werkt als het om leven en dood gaat, maar faalt als het om mensen gaat die onze zorg behoeven.

Februari 2011


Langslapers in het weekend zijn dommer, volgens hun ouders

Enige tijd geleden las ik in ‘De Psycholoog’ dat slimme kinderen minder slapen. Daar moest ik het mijne van weten. Uit het oorspronkelijke artikel bleek dat de slaaptijd van 60 kinderen op twee manieren was gemeten: aan de hand van informatie van de ouders en op basis van een zogenaamde bewegingsmeter. Daarnaast maakten ze een onderscheid in slaaptijd in het weekend en slaaptijd door de week. Wat bleek? Kinderen die volgens hun ouders, in het weekend weinig slapen hadden een grotere kans om hoger te scoren op intelligentie en werkgeheugen dan kinderen die veel slapen. Deze relatie was er niet als de slaaptijd door de week werd gemeten en evenmin als men de gegevens van de bewegingsmeter als indicator voor slaaptijd gebruikte. Dit geeft aanleiding tot de volgende vragen. Waarom nemen ze informatie van de ouders serieuzer dan van de bewegingsmeter? Waarom is slaaptijd in het weekend belangrijker dan door de week? Stel dat de bewegingsmeter de cognitieve vaardigheden had voorspeld, hadden de onderzoekers dan nog altijd de informatie van de ouders belangrijker gevonden? Stel dat juist slaaptijd door de week de cognitieve vaardigheden had voorspeld, hadden de onderzoekers dan nog altijd de slaaptijd in het weekend belangrijker gevonden? Wat denkt u?

Januari 2011

Beatrix en de orthopedagogiek


Als kind dacht ik dat de koningin de baas was en dat zij zelf besliste wat ze zei. Hoe anders bleek de werkelijkheid. Elk jaar met kerstmis mag ons staatshoofd het volk toespreken. In tegenstelling tot de troonrede schrijft zij de kersttoespraak zelf. Dat betekent niet dat ze geheel vrij is in het ventileren van haar mening over maatschappij en politiek. Haar uitspraken vallen immers onder de ministeriële verantwoordelijkheid. Nu ik ietsje beter weet hoe de verhoudingen liggen, wordt het me duidelijk dat de koningin ernstig beperkt is (misschien wel het meest beperkt) wat het recht op vrijheid van meningsuiting betreft. Terwijl politici mogen roepen wat ze willen, moet koningin Beatrix elk woord op een goudschaaltje wegen. Geen benijdenswaardige positie als je het mij vraagt. Het enige wat ze kan doen om te voorkomen dat politiek Nederland over haar heen valt, is om in algemeenheden te vervallen of een boodschap te kiezen waarover (vrijwel) iedereen het eens is. Het lijkt erop dat ze voor het laatste heeft gekozen ‘Behandel anderen zoals u wilt dat anderen u behandelen’. Ik vind ‘m nog altijd mooi, omdat dit handelingsvoorschrift zo goed past bij het vak van orthopedagogen.

PS. Misschien leidt (zelfopgelegde) inperking van de vrijheid van meningsuiting er ook wel toe dat we wat langer nadenken over wat we willen zeggen, zodat de uitspraken die we doen ook wijzer zijn.

December 2010

Een gelukkig, gezond en gezamenlijk 2011
Het is eind november en ik stel me voor (hoop) dat u deze rubriek leest onder de kerstboom, nadat u een heerlijke wandeling heeft gemaakt in een prachtig wit winters landschap. Op het moment dat ik dit schrijf ligt er hier en daar (al) sneeuw in het bos. Is dat een voorbode van de komende feestdagen? Ik ben een optimistisch mens en zie uit naar het einde van het jaar dat ik graag sprookjesachtig zie overgaan in het nieuwe jaar. Op het weer hebben we gelukkig niet al te veel invloed. Dat is maar goed ook. Want hoe en wie moeten dan in hemelsnaam beslissen òf en wanneer het gaat sneeuwen (als het aan de NS ligt nooit) of regenen of zonnig wordt. Dat heeft de natuur goed voor ons geregeld. Wat de zorg aan kinderen en volwassenen betreft die deze nodig hebben, is het wel aan ons om daar beslissingen over te nemen. Misschien kunnen we het wijgevoel dat tijdens de feestdagen ontstaat, vasthouden in het nieuwe jaar, zodat iedereen in onze maatschappij ook daadwerkelijk mee kan blijven doen. Ik wens ons veel wijsheid toe in 2011.

VOLGSPOT december 2010

Wist u dat leessnelheid kan verjaren?
Wat doen orthopedagogen en psychologen nadat ze een test hebben afgenomen bij een cliënt? Ze zoeken in de normtabel die bij een test hoort op of de uitslag van de test binnen het normale gebied (i.c., het gemiddelde) ligt. In het geval van didactische toetsen hoef je alleen na te gaan of een leerling niet te veel onder het gemiddelde presteert; daarboven presteren is immers prima.


De normgegevens worden bepaald door van grote groepen (representatieve ???) leerlingen te bepalen wat de verdeling van de scores is, waarbij er meestal stilzwijgend vanuit wordt gegaan dat deze bij psychologische variabelen altijd de normaalverdeling volgt. Dat wil zeggen dat de meeste leerlingen een gemiddelde score hebben, er beduidend minder leerlingen met boven- en benedengemiddelde scores zijn en er vrijwel geen leerlingen met extreem lage of extreem hoge scores bestaan.


In de herziening van het beoordelingssysteem voor de kwaliteit van tests heeft de COTAN besloten dat normgegevens van 15 jaar of ouder niet meer geaccepteerd worden. Dit betekent dat van een aantal tests opnieuw de normen moeten worden vastgesteld. Dit is wat het Cito gedaan heeft met de DMT ofwel de Drie-Minuten-Toets. Voor de niet-ingewijden, de DMT bestaat uit drie kaarten met losse woorden. Kaart 1 bevat eenvoudige woorden, zoals vis, raam en reus. Kaart 2 heeft alle soorten eenlettergrepige woorden en op Kaart 3 staan meerlettergrepige woorden. De score op de DMT, uitgedrukt in het aantal goed gelezen worden in een minuut (per kaart vastgesteld), bepaalt de technische leesvaardigheid.


Basisscholen die na veel geploeter dachten het lees- en spellingonderwijs eindelijk op de rit te hebben staan, kunnen weer van voor af aan beginnen als gevolg van de invoering van de nieuwe (strengere) normen. Het is inderdaad niet mals. Had je bijvoorbeeld met de oude normen op Kaart 1 aan het eind van groep 3 aan 25 woorden goed gelezen genoeg om een C-score te halen, nu is het de ondergrens van de D-score. Op leeskaart 2 had je aan het eind van groep 3 genoeg aan 29 woorden goed gelezen voor een A-score, nu moet je er 50 of meer hebben gelezen. Met de nieuwe normen is 29 woorden slechts een C-score. Dus om nu een zeer goede lezer te zijn moet een leerling meer dan 70% meer woorden per minuut lezen dan een paar jaar geleden.


Dit kan toch niet de bedoeling zijn? Hoe vlot moet je kunnen lezen als voorwaarde voor het lezen en begrijpen van een tekst? Daar zijn dus geen duidelijke afspraken over gemaakt. Het wordt hoog tijd dat we over een minimaal leestempo gaan praten; alles wat daar boven zit is prima en alles wat daaronder zit vraagt dan de aandacht. Ik hoop dat het Cito ook in deze terugkomt op haar besluit ten aanzien van de nieuwe normering. Vasthouden aan de normaalverdeling in deze is onzinnig, onterecht en onjuist.

Oktober 2010

Dromen zijn bedrog, toch?
Laatst droomde ik over een school in het hart van een wereldstad. De leerkrachten en het bestuur van deze school vonden dat alle kinderen recht hadden op zo goed mogelijk onderwijs. En met alle leerlingen bedoelden zij leerlingen met en leerlingen zonder beperkingen. De school was wel zo wijs om zich te realiseren dat deze kinderen extra begeleiding vragen. Om er voor te zorgen dat ze die ook kregen werden er twee soorten klassen gemaakt. In de meeste klassen zaten uitsluitend kinderen die zonder extra begeleiding onderwijs ontvingen. Daarnaast waren er een of twee klassen, al naar gelang de noodzaak, waarvan 60% bestond uit leerlingen die geen extra begeleiding behoefden en 40% wel. Om het onderwijs in deze klas mogelijk te maken, waren er twee leerkrachten in de klas, en hadden sommige kinderen een persoonlijk begeleider. Behalve dat iedereen zeer tevreden was over deze oplossing, bleek het ook nog betaalbaar. Toen ik wakker werd, wist ik dat ik niet gedroomd had. Deze school bestaat echt in het hart van New York. Kijk maar op www.ps89.org/home.

September 2010

Nomen est omen
In 1903 werd de ‘Vereniging voor onderwijzers en artsen, werkzaam in het buitengewoon onderwijs’ opgericht. In 1920 startte de vereniging met de uitgave van een eigen vakblad: ‘Tijdschrift voor Buitengewoon Onderwijs’. Dit tijdschrift fungeerde als het huisorgaan van de Vereniging O en A. In 1962 veranderde de naam in: ‘Tijdschrift voor Orthopedagogiek.’ Niet alleen de naam van het tijdschrift veranderde ook de betekenis van de vereniging. Hoewel de naam van de vereniging ongewijzigd is sinds haar oprichting, verwijst O en A nu naar ‘Vereniging ter bevordering van ortho-agogische activiteiten’. Ondertussen zijn de tijden opnieuw veranderd. Om het wetenschappelijke karakter en haar relevantie voor de praktijk te benadrukken is er voor gekozen om de naam van het tijdschrift te veranderen in: ‘Orthopedagogiek: Onderzoek en Praktijk’. De redactie ziet het als haar taak om te waken over het wetenschappelijk gehalte van het tijdschrift, omdat het werkveld het meeste gediend is door een toevoer van verantwoorde informatie.

NB. Houd onze toekomstige internetactiviteiten goed in de gaten. We gaan namelijk ‘Het Net’ op met een eigen website, waar we de lezer van allerlei additionele informatie kunnen voorzien. In de vaart der volkeren sluiten we aan bij de moderne communicatiemiddelen als blogs en twitter.

Juli/Augustus 2010


Het zit in de genen, zeggen ze
Toen ik in de jaren 80 van de vorige eeuw student was, was de heersende opvatting binnen de wetenschap dat het gedrag van de mens vooral bepaald werd door haar omgeving. De omgeving werd gezien als de oorzaak van alle geluk en alle ellende. Deze veronderstelling riep onvermijdelijk de tegenbeweging op. En nu zitten we in een tijdperk waarin men vooral de genetische aanleg verantwoordelijk acht voor al het menselijke gedrag en de stoornissen die we elkaar en onszelf massaal toedichten. Dat het echt niet zo eenvoudig ligt als de (populaire) wetenschap ons doet geloven, blijkt uit het werk van Marcus Pembrey, hoogleraar klinische genetica. Hij toont aan dat het gedrag van onze voorouders de genen zodanig kan beïnvloeden dat dit een effect heeft op de kinderen en kleinkinderen. Genen kunnen tijdens het leven aan- of uitgezet worden als gevolg van wat ons overkomt dan wel hoe we ons gedragen. Wat een ironie, dat het nu juist genetisch onderzoek moet zijn, dat ons laat zien dat we er veertig jaar geleden toch helemaal niet zo ver naast zaten. Sterker nog, leidt dit  tot rehabilitatie van de in diskrediet geraakte bioloog Jean-Baptiste Lamarck, die ten tijde van Darwin de hypothese lanceerde dat verworven eigenschappen overgeërfd kunnen worden?

Tip: ga naar www.youtube.com waar je in vijf episodes de schitterende BBC-Horizon documentaire ‘Ghost in your genes’ kunt zien.

Juni 2010

Normaal of abnormaal: wie het weet mag het zeggen
In mei 2013 komt er een geheel herziene Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders uit, de zogenaamde DSM-V. Er is nogal wat over te doen. Niet alleen de door de APA (American Psychiatric Association) ingestelde werkgroepen buigen zich over nieuw op te nemen stoornissen. Ook organisaties van buiten mogen nieuwe stoornissen aandragen. Een van de stoornissen waarvoor men actie voert is ‘Sensory Processing Disorder’ (SPD). Volgens pleitbezorgers voor opname in de DSM-V verwijst SPD naar een stoornis in de verwerking van zintuiglijke informatie. Het veroorzaakt problemen op allerlei domeinen: onhandigheid, gedragsproblemen, angst, depressie, falen op school, etc. Schattingen zijn dat 5 tot 16% van de kinderen 'SPD' heeft. Onlangs schreef een aantal studenten van mij een werkstuk waarbij ze moesten pleiten voor of tegen opname van deze stoornis in de nieuwe DSM. Voor de ene student was het feit dat mogelijk 16% van de kinderen deze veronderstelde ‘eigenschap’ had, reden om het een afwijking te noemen, terwijl dit voor een andere student juist een argument was om het niet tot een afwijking te rekenen. Ik vermoed dat iedereen wel een eigenschap heeft die bij 16% of minder van de bevolking voorkomt. Daarmee hebben we allemaal een ‘stoornis’, en zo zijn we uiteindelijk toch allemaal weer ‘normaal’!

Mei 2010

De problemen mee naar huis nemen getuigt van betrokkenheid
Onlangs werd een aankomend orthopedagoog lof toegezwaaid, omdat ze reeds op jonge leeftijd een professionele houding had ontwikkeld. Deze professionele houding werd gekenmerkt door het feit dat orthopedagoog-in-spe ondanks de zware proble-matiek waarmee ze te maken had, de problemen van de kinderen niet mee naar huis nam. Telkens wanneer ik deze uitspraak hoor, lijkt het erop dat ik geacht wordt het er mee eens te zijn. Alles in mijn lijf verzet zich daar tegen, al jaren. Ik kon steeds niet uitleggen waarom. Toen ik onlangs de uitspraak voor de zoveelste keer hoorde, wist ik het opeens. Iedereen die betrokken is bij dat wat zij* doet, ontkomt er niet aan om de ‘problemen’ en de ‘successen’ (want ik neem aan dat dat dan ook bij die professionaliteit hoort) mee naar huis te nemen. Ook betrokken wetenschappers of computerprogrammeurs ontsnappen daar niet aan, tenzij ze het hoofd op het werk zouden kunnen achterlaten. Hulpverlening en professionaliteit, ik heb die combinatie altijd anders begrepen. Professionaliteit in met name de hulpverlening getuigt juist van een 24-uurs betrokkenheid, en niet een die zich slechts tussen 9 en 5 toont, omdat problemen helaas niet ophouden te bestaan na kantoortijd.

* daar waar zij of haar staat kan ook hij of hem gelezen worden ;-).

April 2010

Parttime aan het aanrecht is goed tegen overgewicht
In Australië lopen kinderen van moeders die fulltime buitenshuis werken en zij die fulltime binnenshuis werken een groter risico op overgewicht dan kinderen van wie de moeders parttime werken. Voor kinderen van moeders die fulltime buitenshuis werken was de reden snel gevonden. Zij hebben onvoldoende tijd om hun kinderen aan te zetten tot fysiek spel of hen een zelf gekookte maaltijd voor te zetten. OK! Maar hoe zit dat dan met die fulltime binnenshuismoeders? Die hebben daar toch alle tijd voor? Deze bevinding werd afgedaan met de zin dat daar nog nader onderzoek naar gedaan moet worden. Een dergelijke verklaring accepteer ik niet van mijn scriptiestudenten, maar wordt wel getolereerd in een vooraanstaand tijdschrift. Erger nog, het effect was bijzonder klein, maar wel significant (het wetenschappelijke toverwoord). Dat is niet moeilijk met een steekproef van ruim 4500 deelnemers. Het meest kwalijke is dat een miniem onderzoekseffect gecombineerd met een volstrekt onacceptabele verklaring suggereert dat moeders goed moeten nadenken hoe zij hun leven indelen, want voor je het weet moet je parttime gaan werken. Ik ben nu wel benieuwd of mannen getrouwd met fulltime (binnen- of buitenshuis) werkende vrouwen ook een groter risico lopen op overgewicht, omdat ze hun echtgenoten minder makkelijk uit de stoel krijgen dan de parttimers?

Maart 2010

Remediëren en dweilen
Sinds de invoering van het rugzakje, het pgb – persoonsgebonden budget – of de lgf – leerlinggebonden financiering – heeft een groot aantal professionals zich gestort op het helpen van leerlingen met leerproblemen, gedragsproblemen etc. Ze doen allemaal hun stinkende best om de problemen van hun cliënten te verminderen. Dat kost vaak veel tijd en energie van zowel de cliënt als van de begeleider. Als na enige tijd blijkt dat de achterstand enigszins is ingelopen dan loopt de behandeling gevaar. Als de cliënt immers vrijwel geen achterstand meer heeft dan is de zorgverzekeraar van mening dat deze voldoende is geremedieerd en het dus wel zonder hulp kan stellen. Hulpverleners weten echter maar al te goed dat alleen dankzij de hulp dit niveau behaald kan worden. Wordt de hulp stopgezet, dan is de kans groot dat de cliënt weer terugvalt. Iedere hulpverlener weet dit en zij zien met lede ogen aan hoe na stopzetting de cliënt weer problemen krijgt. Vervolgens wordt er opnieuw zorg aangevraagd, en helaas moeten we dan heel vaak constateren dat ze weer van vooraf aan kunnen beginnen. Ik noem dit pedagogisch dweilen met de kranen open?

VOLGSPOT december 2010

Uitblinkers en zwarte zwanen

De mens is geneigd om het succes van een individu vooral toe te schrijven aan haar of zijn capaciteiten of talenten. Dat Bill Gates van Microsoft een van de rijkste mensen ter aarde kon worden, is het gevolg van zijn talent voor computers en zijn visie op de toekomst. Dat Michael Jackson een van de meest succesvolle popsterren werd van de vorige eeuw komt door zijn genen; hij was immers lid van de succesvolle Jackson Five. Het zijn verleidelijk eenvoudige verklaringen en feitelijk te mooi om waar te zijn. En dat is het ook, volgens Malcolm Gladwell. In zijn vlot geschreven boek ‘Uitblinkers’ laat hij zien aan de hand van voorbeelden en uit wetenschappelijk onderzoek dat deze visie op succes volstrekt onjuist is. Afkomst, de tijd waarin men geboren is, de toevalligheid van een gebeurtenis en het aantal uren dat men oefent (10,000 uur om een echte expert te worden) wegen veel zwaarder dan het ‘talent’ dat het individu wordt toegeschreven. Hoewel talent (IQ in dit geval) wel een rol speelt, is deze beperkt. Als deze minimaal 120 is, is dat voldoende. Alles erboven daar heb je geen extra voordeel aan, dan strekt alleen nog het ‘goede’ sociale milieu tot voordeel.

De wetenschap wil voorspellen. Zo willen we weten of het volgende week dinsdag gaat regenen, of het een goede tijd is om te investeren, wanneer er een tsunami komt en of ons kind een risico loopt op een leer- of gedragsprobleem. Hoe moeilijk voorspellen is, blijkt onder andere uit de reactie van alle westerse overheden op het ontstaan van de huidige kredietcrisis. Geen van de wetenschappelijke modellen bleek deze te hebben voorspeld. Wat het weer betreft weten we al ruim 40 jaar op wetenschappelijke gronden dat dit onvoorspelbaar is en zal blijven. Nu is het weer nog een relatief eenvoudig systeem, ze wordt slecht bepaald door de temperatuur, windsnelheid en luchtdruk. Wat als het gaat om het voorspellen van de ontwikkeling van onze kinderen? Welke factoren moeten we dan wel niet in onze modellen opnemen om iets zinnigs te kunnen zeggen? Het maakt niet uit hoeveel erin gestopt wordt, het is grotendeels een zinloze bezigheid. Dit feit wordt helder en onderhoudend uitgelegd door Nassim Taleb in zijn boek ‘Black Swans’. En net als hij, roep ik mijn collega’s op om te stoppen met het wijsmaken aan de maatschappij dat we dat ooit zouden kunnen. Er zijn te veel onverwachtse factoren die zinvolle voorspellingen mogelijk maken.

Dus, laten we ons als wetenschappers richten op dat waar we wel uitspraken over kunnen doen en waar overheden wel enige invloed op hebben, namelijk vaststellen wat goed onderwijs is en wat fatsoenlijke leefomstandigheden zijn, zodat alle kinderen (en niet alleen die uit een ‘goed’ milieu) een goede startpositie in de maatschappij krijgen.

Gladwell, M. (2008). Uitblinkers. Amsterdam: Uitgeverij Contact.
Taleb, N.N. (2008). Black swans. London: Penguin
Februari 2010


Alle kinderen een diagnose
De op handen zijnde onderwijsoperatie ‘Passend onderwijs’ verschafte een orthopedagoog een interessant kijkje in de keuken van een collega. De praktische kern van Passend Onderwijs is dat schoolbesturen verplicht worden om onderwijs (lees ook: zorg) aan te bieden aan elke leerling. Het doel is een verder- en verregaande integratie van speciale leerlingen in het regulier onderwijs. De orthopedagoog was benieuwd in hoeverre de school (regulier basisonderwijs) van de collega reeds was voorbereid op deze nieuwe maatregel. Haar antwoord was: wij denken niet dat er veel voor ons zal veranderen, omdat wij al heel lang kinderen met een diagnose opvangen. Neem nou deze klas van 22 leerlingen. Hier zitten 3 kinderen met dyslexie, 4 met PDD-nos, 3 ADHD’ers, 2 kinderen met dyscalculie, 2 hoogbegaafden, één kind met asperger, één kind met DCD, één kind met NLD, en één kind met ODD-CD. De resterende 4 kinderen hebben nog geen diagnose........................ …………………….., maar die zijn dan ook nog niet getest.


Januari 2010


Nieuwe schoenen en een nieuw jasje voor ons tijdschrift

Mijn vader droeg ruim 30 jaar op zondag dezelfde zwarte schoenen, maat 42, merk Aera. Als ze versleten waren vroeg hij aan mijn moeder (en aan zijn dochters toen die oud genoeg waren) om als we de wal opgingen, zoals dat onder schippers heette, een nieuw paar voor hem mee te brengen. Mijn vader had voor zijn gedrag een redenering waar geen speld tussen te krijgen was: Waarom zou je een winnend team veranderen? In tegenstelling tot de langdurige, glorieuze verbintenis tussen het merk Aera en mijn vader, was er tussen ons Tijdschrift voor Orthopedagogiek en de voormalige uitgever geen winning spirit meer. Daarom werd het tijd voor nieuwe schoenen. Deze hebben we gevonden in de vorm van Garant. Hoewel de nieuwe schoenen nog moeten worden ingelopen, gaan we er vanuit dat we een kwaliteitsuitgever hebben ‘aangeschaft’. Zoals u is opgevallen zijn we niet alleen van uitgever veranderd, ook de buitenkant heeft een nieuw aanzien gekregen. Nu ik toch in de stad ben, kan ik net zo goed een nieuwe jas kopen, zo redeneerde mijn vader. Hoewel hiermee zijn uiterlijk lichtelijk veranderde, bleef hij dezelfde vertrouwde goede vader waar zijn gezin altijd op kon bouwen.

December 2009

Mundus vult decipi, ergo decipiatur
Onlangs sprak ik een orthopedagoog werkzaam op een school voor leerlingen met forse gedragsproblemen. Een van haar leerlingen bleek vanwege haar gedragsprobleem niet te handhaven op het regulier onderwijs. Hoewel deze leerlinge cognitief relatief sterk bleek te zijn, was haar leesvaardigheid zo slecht dat dit deelname aan het geboden onderwijs ernstig beperkte. De orthopedagoog stelde al snel vast dat ze een forse (lees, meer dan drie jaar) lees- en spellingachterstand had. Haar vorige school had echter verzuimd om vast te leggen dat er problemen waren, laat staan wat er aan gedaan was (de leerlinge was al 11 jaar). Zonder een dergelijk rapport is het onmogelijk om extra zorg aan te vragen. De orthopedagoog, begaan met het lot van deze leerling, maakte van de nood een deugd, en schreef met terugwerkende kracht een aantal prachtige rapporten waarin verantwoording werd afgelegd van alle pogingen uit het verleden om de lees- en spellingproblemen van deze leerling te remediëren. Dit voorval onderstreept op pijnlijke wijze de waarheid achter een gevleugeld gezegde van mijn vader: De wereld wil bedrogen worden, dus laten we de wereld bedriegen!

Oktober 2009

U zult altijd uw bronnen tsjekken
In mijn vorige column sprak ik de psychologe aan die de opdracht van de rechter heeft aanvaard om Laura Dekker te testen op haar solozeilreisbestendigheid. Dat mijn oproep de verkeerde persoon betrof, ontdekte ik vandaag. De krant waar ik de naam van der vermeende psychologe aan ontleend had, bleek onjuist. Saskia Moonen is ten onrechte in het nieuws gekomen in de zaak van Laura Dekker; zij is NIET de psychologe die Laura Dekker psychologisch gaat testen. Het spijt mij heel erg dat ik bijgedragen heb aan verdere verspreiding van onjuiste informatie. Dat kranten geen betrouwbare bron blijken te zijn, mag misschien geen nieuws zijn, maar de gevolgen ervan worden pas echt pijnlijk duidelijk als we daarmee persoonlijk geconfronteerd worden. Saskia, mijn oprechte excuses en dank voor de sportieve wijze waarop je me benaderd hebt. Ik ben me weer opnieuw bewust geworden van een belangrijke regel die ik als wetenschapper geleerd heb: Tsjek altijd uw bron.

September 2009

De solozeilreisbestendigheidstest
Als u zich zorgen maakt over de leesprestaties van uw kind, leerling of cliënt dan kan een toets op eenvoudige en betrouwbare wijze antwoord geven op de vraag of er sprake is van een zorgwekkende ontwikkeling. Hetzelfde geldt voor problemen met spellen en rekenen. In hoeverre iemands psychische gesteldheid pathologische vormen heeft aangenomen is al een heel stuk lastiger te bepalen. De problemen met de betrouwbaarheid en validiteit van de zogenaamde CBCL zijn algemeen bekend onder clinici en wetenschappers. Daarom ben ik benieuwd hoe kinder- en jeugdpsycholoog Saskia Moonen denkt te gaan vaststellen of Laura Dekker, het 13-jarige meisje dat solo de wereld wil rondzeilen, in staat zal zijn om haar plan uit te voeren. In de meest recente COTAN, het grote boek waarin alle goedgekeurde Nederlandse psychologische tests staan, heb ik geen ‘solozeilreisbestendigheidtest’ kunnen vinden. Beste Saskia, in ons vak bestaan geen instrumenten om dat te meten. Dus laten we dat dan ook niet pretenderen.

Juli/Augustus 2009

Wist u dat...
...de schoolinspectie meer belang hecht aan handelingsplannen dan aan feitelijke prestaties van leerlingen. Onlangs vertelde een leerkracht mij dat de SBO-school waar hij werkt de kwalificatie ‘zwakke school’ heeft gekregen. Niet omdat de prestaties van de leerlingen niet zouden voldoen. Integendeel, deze waren uitzonderlijk goed vergeleken met het landelijk gemiddelde, zo oordeelde de inspectie. De negatieve beoordeling was louter gebaseerd op de constatering dat ‘de papieren’ niet in orde waren. Er lag namelijk niet voor elke leerling een handelingsplan klaar. Zou het kunnen dat deze school goede prestaties behaalt, omdat ze hun energie in de kerntaak steken, namelijk, onderwijs verzorgen en geen tijd verspilt aan een administratief circus dat voornamelijk een bureaucratisch en zelden een didactisch doel dient?

Juni 2009

Let op Nederland: laaggeletterdheid is de schuld van de ouders!!!
Onlangs stond het praatprogramma van Pauw en Witteman volledig in het teken van de 1,5 miljoen functioneel ongeletterde Nederlanders. Nederland blijkt niet alleen 16 miljoen bondscoaches te kennen, elke Nederlander weet ook hoe het probleem van laaggeletterdheid opgelost moet worden. Dus werden onder andere Wendy van Dijk, Daphne Deckers en Umberto Tan om hun mening gevraagd. Het ligt toch vooral aan al die ouders die verzuimen hun kinderen voor te lezen, betoogde Daphne Deckers. Ook Ton Duif, voorzitter van de algemene vereniging van schoolleiders, riep de ouders en de wijk op om te komen helpen, omdat de school het echt niet alleen kon. Ik denk dat we binnenkort van het ministerie van OC&W horen dat het opvoeden aan school overgelaten dient te worden en dat de verantwoordelijkheid voor het onderricht in lezen en spellen bij de ouders ligt.

 

Mei 2009

Als de Pabo weer gaat rekenen
Een effectieve rekendidaktiek is een noodzakelijke en tegelijk onvoldoende voorwaarde voor goed onderwijs. De leerkracht moet namelijk zelf voldoende rekenvaardigheid hebben om de didaktiek goed te kunnen toepassen. Hiervoor zijn de Pabo’s primair verantwoordelijk. Als Pabo’s constateren dat de reken- en taalvaardigheid van hun leerlingen onvoldoende is, past het niet om die verantwoordelijkheid af te schuiven op het middelbaar onderwijs. Evenmin wordt het probleem opgelost door een entreetoets af te nemen. Het bijbrengen van reken- (en taal)vaardig-heid/didaktiek zou tot de kerntaken van de Pabo’s moeten behoren. Zonder inhoud zal het nu populaire competentiemodel een keizer zonder kleren blijken te zijn.

VOLGSPOT mei 2009

Rekenen en wiskunde: gewoon doen!

Enkele jaren geleden begeleidde ik een pedagogiekstudente die het vwo-diploma had gehaald zonder wiskunde in haar eindexamenpakket. Ze vertelde me dat dit eigenlijk niet kon, maar voor haar werd een uitzondering gemaakt. Het docententeam van haar school vond haar weliswaar een slimme meid, maar voor wiskunde zo redeneerde men, had ze, alle bijlessen ten spijt, geen aanleg. Na eerst een jaar rechten te hebben gestudeerd, maakte ze uiteindelijk toch de keuze voor de studie pedagogiek in Nijmegen. Dit besluit hield in dat ze een flinke portie statistiek te verwerken kreeg.

     De eerste twee statistiekvakken haalde ze uiteindelijk met heel veel bijlessen en na een aantal hertentamens te hebben gedaan. In het derde jaar van onze opleiding staat het door velen gevreesde ‘Data-analyse’ in het rooster. Het leek er inderdaad op dat dit vak haar universitair diploma in de weg zou kunnen gaan staan. Ik vond dat onaanvaardbaar en bood aan haar te helpen in ruil voor een tuinklus. Ze heeft drie weken bij mij gelogeerd. ’s Ochtends studeerde ze en ’s middags hielp ze in de tuin. Ze haalde het tentamen met een ruime 7.5 en was teleurgesteld dat het geen 8 was.
      Waarom haalde ze dit tentamen in een keer en zonder grote problemen? Het recept bleek heel eenvoudig: Op de billen blijven zitten en sommetjes maken. Mijn hulp bestond eruit dat ik erop toezag dat ze aan het werk bleef; inhoudelijk heb ik nauwelijks hulp hoeven bieden. Door het gemak waarmee ze vrijwel alle kennis verwierf, had ze nooit geleerd om ergens moeite voor te doen. Omdat rekenen en wiskunde geen uitgesproken talenten van haar bleken te zijn, maar iets waar ze voor moest werken, had ze het reeds bij de eerste mislukte poging opgegeven. Zij heeft nu de ervaring opgedaan dat je van proberen toch kunt leren en dat begrip van materie kan ontstaan door de techniek veelvuldig toe te passen. De kwartjes begonnen te vallen als gevolg van het maken van een groot aantal sommen.
      Deze ex-studente is nu Aio op een andere universiteit en schrijft een proefschrift over leerkrachtstijlen. Hiervoor past ze een keur aan statistische technieken toe. Ze doet dat inmiddels zonder vrees. Sterker nog, onlangs vroeg ze me of ik haar kon adviseren over het toepassen van zogenaamde non-lineaire analysetechnieken, rekenkundig ingewikkelde en conceptueel lastige vormen van statistiek. Ze voegde er met een knipoog aan toe: Wie had dat gedacht hè?
      Ook basisschoolleerlingen zullen profiteren van de ervaring dat oefening kunst baart. Ik pleit ervoor om leerlingen weer (veel) sommetjes te laten maken. Ik vermoed dat er, net als bij mijn student, rekenbegrip gaat ontstaan, dat leerlingen zien dat ze het edele handwerk altijd en overal zonder rekenmachine kunnen toepassen en dat ze bovendien de ervaring opdoen dat mislukte pogingen bij het leerproces horen.

PS. Een goede didactiek voorkomt te veel mislukte pogingen, zodat het schoolse leerproces vooral bestaat uit succeservaringen. Daarover schrijf ik een andere keer meer.

 

April 2009

Is objectief waarnemen feitelijk wel mogelijk?

Sinds ik in de redactie zit van ons tijdschrift word ik nogal eens aangesproken op de inhoud van ons blad. Kom ik een collega tegen die zich vooral bezighoudt met leerproblemen dan is steevast de reactie dat ons tijdschrift relatief veel aandacht besteed aan gedragsproblemen. Als het daarentegen een collega betreft die met name gespecialiseerd is in gedragsproblemen dan bereikt mij de klacht dat het in ons tijdschrift vooral over dyslexie gaat. Beide collega’s lezen hetzelfde tijdschrift en hebben desondanks een geheel verschillende perceptie van de verdeling van het typen onderwerpen dat erin gepresenteerd wordt. Als rechtgeaard wetenschapper kon ik het niet laten om deze eigenaardigheid te onderzoeken. Ik heb de onderwerpen van alle 73 artikelen die in 2007 en 2008 zijn verschenen ingedeeld in vier categorieën: Gedragsproblemen (34%), Leerproblemen (27%), Ontwikkelingsproblemen (14%) en overig, waaronder onderwijskunde en filosofie (25%). De enige collega die zich nog niet bij me beklaagd heeft is de deskundige op het gebied van ontwikkelings-problemen.

 

Maart 2009

Zeg me dat ik andere schoenen aantrek!

Een half jaar geleden besloot een alleenstaande vader te stoppen met het geven van aanwijzingen, instructies en opdrachten aan zijn enige puberdochter. Hij had meer dan genoeg van het zuchten en kreunen dat opgeroepen werd als hij haar verzocht om haar was op te ruimen, een schone handdoek te nemen, een nieuwe trui aan te trekken, haar bord in de vaatwasser te zetten of andere schoenen aan te doen. Bovendien vond hij dat ze een leeftijd had bereikt dat ze dat ook wel zelf kon bedenken. Onlangs beklaagde de dochter zich op haar beurt bij haar vader. Ze vond dat haar vader haar niet goed verzorgde. Aanvankelijk was het hem niet duidelijk wat ze bedoelde, tot hij besloot haar te vragen waaruit dat precies zou blijken. Wat was het geval: ze vond dat ze veel te veel verantwoordelijkheid moest dragen voor met name de kleine dingen des levens. Hoewel ze zich gedroeg alsof ze zijn bemoeizucht niet op prijs stelde, had deze vader al snel door dat ze juist om meer ‘sturing’ en ‘kaders’ vroeg. Het gevolg is dat vader zijn oude bemoeialgedrag weer heeft opgepakt, zich niet meer ergert aan haar ergernis en van binnen vertederd glimlacht.

 

Februari 2009

Regels zijn regels....toch?
Onlangs kreeg ik een e-mail van een oud-studente die mij in gewetensnood bracht. Een van haar leerlingen in groep 7 bleek te voldoen aan de onderkennende criteria van dyslexie, een forse achterstand in lezen. Helaas voldeed ze aan geen van de criteria voor de verklarende diagnose. De reden voor haar leesachterstand (in dit geval een te laag tempo) was hoogstwaarschijnlijk te wijten aan haar oogmotorisch probleem 'nystagmus'. Dit zijn onwillekeurige ritmische bewegingen van de oogbollen. Het meisje vertelde de orthopedagoge dat ze de nystagmus zelf niet ervaart (ligt voor de hand als dit vanaf de geboorte het geval is). Ze merkt echter wel dat ze geen bal kan vangen en schrijft dat toe aan haar onvermogen om goed te kunnen focussen. Nu de angel in dit verhaal. Deze oud-studente die het probleem heel goed heeft geanalyseerd komt met een vraag waarop ze zelf denk ik het antwoord heel goed weet: Mag ik dit meisje een dyslexieverklaring geven? Nee, volgens de regels mag ze geen dyslexieverklaring uitschrijven. Omdat haar oogziekte onbehandelbaar is en haar probleem dus blijvend, is het belangrijk dat dit meisje compenserende hulpmiddelen krijgt. Het is in de woorden van mijn oud-studente namelijk een kien meisje. Het schrijven van dit stukje, heeft me het antwoord gegeven. Ik ga mijn oud-studente adviseren om eerst na te gaan of ze via een andere weg die compenserende hulpmiddelen vergoed kan krijgen. Als dat niet mogelijk is, dan zal ik haar zeggen dat regels voor mensen zijn gemaakt, en niet andersom ;-))).

 

Januari 2009

VOLGSPOT januari 2009

De meester met de bal

Het rapport van de commissie Dijsselbloem over de onderwijsvernieuwingen dat in februari 2008 aan de Tweede Kamer werd aangeboden, heeft veel commotie veroorzaakt in onderwijsland. De zorgen die door de commissie werden geuit, vormde de aanleiding voor een discussie over de effectiviteit van het realistisch rekenen, een methodiek die ontwikkeld is door het Freudenthal Instituut. Volgens de critici is de integrale invoering van het realistisch rekenen in Nederland een belangrijke oorzaak voor de belabberde rekenvaardigheden van kinderen en jong volwassenen.

        Leerlingen die volgens deze methode rekenonderwijs krijgen, raken in verwarring omdat ze geacht worden niet één, maar meerdere oplossingsstrategieën voor rekensommen toe te kunnen passen. Bovendien neemt door het invoeren van het zogenaamde ‘Kolomsgewijs’ rekenen de hoeveelheid bewerkingen die nodig zijn voor optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen zodanig toe dat de kans op het maken van een (reken)fout navenant toeneemt. Ook is door het vervangen van de staartdeling ten gunste van de zogenaamde ‘Hapmethode’ een algoritme uit het zicht verdwenen dat van elke deling op eenduidige wijze de oplossing verschaft. Aan de kritiek op het huidige rekenonderwijs ligt een belangrijk algemeen probleem ten grondslag. Om een staartdeling goed te kunnen maken of om een rijtje getallen op te tellen moet de rekenaar over een aantal rekenfeiten en rekenvaardigheden beschikken die geautomatiseerd zijn. Naast het vlot kunnen optellen en aftrekken van getallen onder de 10, moeten ook de tafels gekend worden. In het huidige onderwijs is de aandacht voor het automatiseren van basale rekenvaardigheden ondergesneeuwd.

       Onlangs bleek dat een leerling in groep 7 kon belanden, terwijl zij niet beschikte over basale rekenvaardigheden. Sterker nog, ze was niet eens in staat om de cijfers van 1 tot 100 vlot op te zeggen. Ondanks jaren van remedial teaching wist de school niets van het werkelijke probleem van deze leerling. Pas toen vader en dochter een bezoek brachten aan Douwe Sikkes, groepsleerkracht op ‘Het Palet, een school voor speciaal basisonderwijs in Arnhem, werd de werkelijke achterstand die het meisje had opgelopen duidelijk.

       Douwe Sikkes oefent met zijn leerlingen dagelijks honderden sommen. Hij bouwt de opdrachten systematisch op en oefent klassikaal, waarbij hij zorgvuldig elke som afstemt op het niveau van het individuele kind. Douwe maakt tijdens het oefenen gebruik van een bal. Hij roept een som, bijvoorbeeld 15 erbij 27, zegt dan de naam van de leerling die de som hardop moet uitrekenen en werpt dat kind de bal toe. Alle leerlingen zijn tijdens het klassikale oefenen zeer geconcentreerd, omdat ze het leuk vinden om de bal te vangen ook al betekent dat ze een rekensom hardop moeten uitrekenen. Met zijn methode krijgt hij vrijwel alle leerlingen met een IQ tussen de 60 en 75 aan het rekenen en verbeteren hun vaardigheden heel snel.

       Inmiddels is de vader van het meisje van wie het rekenniveau dat van een leerling van groep 3 niet overstijgt zelf begonnen met de methode Sikkes. Hij rapporteert dat zijn dochter ‘met sprongen vooruit’ gaat. De meester met de bal past een belangrijk principe toe dat wij in het onderwijs verwaarloosd hebben, namelijk het automatiseren van een aantal vaardigheden die de voorwaarde vormen voor het verwerven van vaardigheden op een hoger abstractieniveau. Hij doet dit op een aantrekkelijke manier, en bereikt dit door ELKE DAG, SYSTEMATISCH, SAMEN MET de leerlingen te oefenen.

NB. Voor een visuele impressie van de methode van ‘de meester met de bal’ kunt u een DVD bestellen bij Douwe Sikkes: d.sikkes@upcmail.nl